header4

 

De Kermis

De Kermis (Het Liller Heem 1993, jg. 11, nr. 3, blz. 101-110)

Nog niet zo heel lang geleden was de jaarlijkse kermis het voornaamste volks- en familiefeest.
Over het algemeen wordt aangenomen dat de meeste feesten die wij kennen, uit een ver verleden stammen.
Toen het christendom bij ons algemene ingang had gevonden, schaften missionarissen het afgodendom af, vernielden de heilige bomen en verboden het eten van paardenvlees, kraaien en andere vogels. Zij namen echter de verstandige beslissing, zoals trouwens paus Gregorius de Grote ook verdedigde, de bestaande gebruiken te eerbiedigen.

Eén van de weinige volksfeesten die hun oorsprong niet vinden bij onze heidense voorouders is de jaarlijks terugkerende kermis.
Bij de wijding van de eerste parochiekerk werden er bisschoppelijke kermisbrieven aan de parochie verleend. Deze brief was een oorkonde waarbij de bisschop die de kerk had gewijd, een aflaat verleende aan hen, die bij het bouwen van de kerk hadden geholpen. Deze aflaat werd tevens verleend aan al diegenen die bij de kerkwijding aanwezig waren of korte tijd nadien een bezoek brachten aan deze nieuwe kerk. Bovendien werd in de oorkonde bepaald op welke zondag in de volgende jaren, deze kerkwijding zou worden herdacht. Door de gelovigen werd ieder jaar van dit aanbod gretig gebruik gemaakt om door het aanwezig zijn in deze kerkmis ook een beetje zorg te besteden aan het eigen geestelijk welzijn. Het was nu nog maar een klein stapje om van dat ‘geestelijk welzijnsidee’ over te schakelen naar wat meer werelds genoegen. En weldra verscheen er na de kerkmis ‘de bonte kermis’ van liedjeszangers, goochelaars en andere volksfiguren die probeerden een beetje mee te profiteren bij gelegenheid van deze kerkmis. Vrienden en familieleden die een lange voettocht achter de rug hadden, vonden even rust in een van de vele herbergen terwijl de jongeren elkander probeerden te overtroeven in allerlei spelletjes. Alle mooie dingen zijn voor herhaling vatbaar heeft men er toen ook van gedacht. De jaarlijkse kerkmis werd de jaarlijkse kermis waarbij de mensen voor enkele tijd hun dagelijkse zorgen konden vergeten in het plezier om samen en gedurende enkele dagen onderling en gezellig verteer te beleven.

Kermis 18.21Kermis in LilleIn de loop der jaren is het begrip kermis wel veranderd. In de grotere steden of agglomeraties zijn de woorden kermis en foor praktisch aan elkaar gelijk, alhoewel zij in feite totaal verschillend zijn. Foor is ontstaan uit het Latijnse woord “Feriom” (feest) en bijgevolg etymologisch verwant met ‘vieren’. Wat wij echter met foor bedoelen zijn in feite de jaarmarkten. Deze verwijzen terug naar het ogenblik waarop iemand op het einde van een seizoen de vruchten van zijn arbeid naar de markt brengt en ze te koop aanbiedt. Na afloop werden vrienden en bekenden uitgenodigd om samen bij het drinken van een glaasje bier of wijn de goede afloop van de verkoop te vieren, waar men dan later het woord kermis aan verbond. Vandaar dat – in tegenstelling tot het platteland – in de steden de parochiekermissen zijn afgeschaft. In ruil daarvoor heeft men een grote kermis ingericht die meerdere dagen aanhoudt. Het is louter een ‘nering’-zaak geworden in tegenstelling tot de kleinere parochies waar de ker(k)mis toch nog altijd een familie- en volksfeest is gebleven en waar zelfs de bemoeienissen van keizer Jozef II geen vat op kregen. Bij decreet van 2 februari 1786 deed hij uitvaardigen dat alle kermissen op één en dezelfde dag moesten plaatshebben en schafte meteen ook alle processies af. Deze keizer-koster was van mening dat de kermis moest gehouden worden in een periode dat er weinig kon gefeest worden. Deze enige kermis, gepland op de tweede zondag der maand november, werd door de Belgen eenvoudig genegeerd en Keizerskermis genoemd. Dat kermis voor de bevolking altijd een belangrijk gegeven en een niet weg te denken begrip was, is nog het best op te maken uit volksgezegden zoals:

  • “’t Is kermis in de hel”, (regen bij zonneschijn)
  • “Seg jong is het al kermis?”, (wanneer in vroeger tijden een stukje hemd uit de korte broekspijp tevoorschijn kwam)
  • “Op de varkenskermis (pensenkermis) uitgenodigd zijn”, (na het slachten van een varken)
  • “’t Is een echte bonte kermis.”

De kermissen hebben in Sint-Huibrechts-Lille in hoog aanzien gestaan en vooral dan de grote kermis in de maand augustus. Deze kermis, officieel vastgesteld op de derde zondag van de maand augustus, is dankzij de jarenlange medewerking van tientallen vrijwillige medewerkers uitgegroeid tot datgene wat men bedoeld had: een echt volksfeest.

Sedert de pastorie naar het dorp werd gebracht in 1820 heeft de kermis plaats op het Liller dorpsplein. Vóór deze periode vond de kermis plaats in de Venderstraat aan de woning van Martin Kwanten. Aldaar lag als dan de pastorij, omgeven door een wal die thans nog zichtbaar is (n.v.d.r. en gerestaureerd door het Regionaal Landschap Lage Kempen na een opgraving onder leiding van archeologe Marleen Geuens door onze kring in 2000). De bevestiging van deze ‘kermisplaats’ vonden we terug in een notariële akte van 19 september 1918. Op verzoek van de kerkfabriek van Sint-Huibrechts-Lille worden door notaris Schoolmeesters van Hamont twee percelen grond openbaar verhuurd. De percelen worden beschreven als een hooiland ‘de grote kermisweide’ sectie A219, groot 68a en een hooiland ‘het kleine kermisweiland’ sectie A 220, groot 24a 30ca.

Over het algemeen kan gezegd dat, voor zover als kan nagegaan worden, de kermis altijd ‘georganiseerd’ werd zowel voor de beide oorlogen als na 1944. Alles werd geregeld door een comité, zo kan men lezen in het ‘Maaseiker Weekblad’ van (?) augustus 1922, dat bestond uit “de heren voorzitters, een paar bestuursleden van elk lokaal gezelschap, waaronder de burgemeester”. De ‘leutige spelen’ voor jong en oud vormden de ziel van het feestrooster. Er is variatie in overvloed. Op dinsdag 23 oogst 1904 is er een “vroolijke kermis avond, door de studenten aen Lillenaren aangeboden, die aanvangt om halfvijf, ook de ‘fanfaren’ is steeds van de partij. Er zijn prijsschietingen en vogelschietingen bij de verschillende schuttersverenigingen, er wordt gevoetbald, Sparta Lille tegen Sint-Truiden”. Op donderdag 21 augustus 1911 is ’s avonds om 9u00 op de kiosk ‘publieke verkoop van de ledige beurzen’. Er is ook wel eens kanongebulder om de kermis te openen. In het kasboek van de schutterij vinden we regelmatig terug “Betaald voor kermisviering” (1922) of “Betaald voor kermisspelen” (1928) e.a.

In de Poststraat (de huidige De Vaart) werden ieder jaar weer opnieuw volksspelen gehouden voor kinderen. Prijzen werden toegekend voor mooi versierde fietsen of hoofddeksels. De grootste vooroorlogse attracties waren de wielerwedstrijden. De rittenkoers voor jongeren bestond erin tweemaal de afstand af te leggen van Sint-Huibrechts-Lille naar Kleine-Brogel, Kaulille en terug naar Lille. De overwinning werd meestal behaald door Jules Klok met als concurrenten Jef Klok en Gerard Maas. Ze werden later dan weer overtroefd door “Sus de Zuten” (Frans Seutens). Die beschikte over een echte koersfiets en gaf derhalve zijn concurrenten geen schijn van kans. Naast deze jeugdige wielrenners was een andere groep actief die onder de noemer van ‘veteranen’ gedurende enkele uren de mensen van Lille amuseerden met hun fratsen. Deze groep mannen bestond meestal uit cafébazen en andere middenstanders die op hun eigen manier in de kijker wilden lopen en alzo terecht aan eigentijdse reclame deden. Hun opdracht was, vertrekkende van de ene of de andere herberg, met bont versierde fietsen een aantal ronden door het dorp te rijden. Onderweg, en vooral dan waar de meeste toeschouwers stonde, werd door hun uitgehaalde grappen voor de nodige hilariteit gezorgd. Zoals met zovele andere zaken bracht het einde van de Tweede Wereldoorlog een massa veranderingen met zich mede en kreeg het kermisvieren een nieuw gezicht. Voor het inrichten van wielerwedstrijden kreeg men van de burgemeester geen vergunning meer. Het toenemende verkeer was een eerste belemmering maar ook de onmogelijkheid van de inrichters verantwoordelijkheid op te nemen voor onverwachte voorvallen of ongevallen. Door dit gebeuren is meen een beetje ‘beduusd’ en valt alles zowat stil. Alleen de kinderspelen worden elke kermismaandag nog aangehouden. De malaise blijft duren tot 1954.

In ’t jaar 1953 valt het Leo Schonkeren op dat meerdere kinderen wel op de kermis vertoeven doch geen geld hebben om te kunnen gebruik maken van de kermisspelen. In 1954 neemt hij het initiatief om bij de Lilse handelaars voldoende fondsen te verzamelen ten einde de kinderen van Lille een mooie kermis te bezorgen. Vanaf Pasen 1954 begint hij zijn ‘bedeltocht’, later gaat hij onderhandelen met de ‘kermismannen’. Na veel gecijfer en gepalaver stemmen ze erin toe dat op kermismaandag en -dinsdag, mits vergoeding door het kermiscomité, de Lilse kinderen gratis kunnen gebruik maken van de kermisspelen. Nog éénmaal wordt geprobeerd een veteranenkoers in te richten. Het wordt een (laatste) sukses.

Eénmaal dit achter de rug zal de initiatiefnemer zich verzekeren van een comité dat voortaan de kermis zal regelen. Alle voorzitters van de Lilse verenigingen zetelen in dit comité en mogen één afgevaardigde meebrengen. De uitvoering van de beslissingen worden uitsluitend ter hand genomen door de mijnwerkers. In grote trekken werd de kermis door de Lillenaren op volgende dagen en uren bezocht: ’s zondags na de hoogmis en gedurende de namiddag vanaf 15u00 (na het lof; de kerkdiensten zouden immers nooit gestoord worden), maandagnamiddag vanaf 15u00, terwijl er op kermisdinsdag al niet veel activiteit te bespeuren viel. Het comité besliste daarom gratis foor te voorzien op de ‘dode uren’, zoals maandag- en dinsdagvoormiddag. Deze beslissing werd al naargelang de omstandigheden aangepast, zodat dag en uur van gratis foor wel eens werden gewijzigd.
Bovendien namen zij de inrichting van allerlei activiteiten op zich, waardoor er in de Lilse straten steeds beweging was en de foormannen zelf hiervan ook weer hun voordeel hadden. Bij aanvang was er geen kasboek. Het ontvangen geld werd toevertrouwd aan Desiré Van de Broek, die na een eerste werkjaar 250 frank overschot had. Deze som werd overhandigd aan de Bond van Grote Gezinnen als bijdrage voor het jaarlijks Sint-Niklaasfeest van de kinderen. Na enkele jaren was dit kermiscomité goed ingeburgerd en bleef goed werk leveren. De activiteiten werden elk jaar uitgebreid en uitgevoerd met de hulp van enthousiaste medewerkers.

Het aanbod van de kermisspelen door de foorkramers was niet altijd zo bijster groot. Lange jaren was het kleine Lilse dorpsplein ingenomen door de paardjesmolen, bij aanvang voortgetrokken door een echt paard, doch later geëlektrificeerd.
Was er geen paardje voorhanden dan werden er wel eens ‘kermisvierders’ gevraagd om het molentje voort te duwen. Om veiligheidsredenen was voor hen een afzonderlijk hokje voorzien waarin de molen moest worden voortbewogen. In ruil voor de geleverde arbeid mocht de persoon, die gewerkt had, tweemaal gratis gebruik maken van de paardenmolen. In die tijd (1905-1906) kon men tegen betaling van twee frank een abonnement nemen op de paardjesmolen dat gedurende de ganse kermis geldig bleef. Er waren ook grote en kleine ‘suren’ (schommels) waarin groot en klein zich kon doen gelden. Vooral de grote jongens konden zich aan hun (aspirant)lief bewijzen door met de grote schommel een zulkdanige hoogte te bereiken dat de foorkramer zich genoodzaakt zag uit veiligheidsredenen, door middel van een afremplank de waaghals naar lagere regionen te dwingen. De zwiermolen is ook lange jaren zeer in trek geweest samen met de schietkraam. Wat in deze schietkramen, waarin hoofdzakelijk op aarden pijpjes geschoten werd, kon verdiend worden was geen ‘spraak’ waard. Het ‘raak’ schieten alleen was al voldoende voor de jonge schutter. Een bijzondere doch dikwijls zeer omstreden attractie was de ‘danstent’. Rond van vorm, opgetrokken in hout en bedekt met een zeil, was deze tent van binnen voorzien van allerlei bonte afbeeldingen, spiegels en fonkelend namaak zilver, zodat het geheel op een paleis moest lijken. Het orgel dat zich in deze tent bevond, werd in aanvang in beweging gehouden door een vrijwilliger, die er zijn drank of wat kermiscentjes aan overhield. Dat het een omstreden attractie was, kan niet geloochend worden. Het beste voorbeeld daarvan vinden we bij pastoor Vandeweyer, die in de twintiger jaren Lilse dorpspastoor was en met lede ogen moest toezien dat een danspaleis in de Akkerstraat (J. Verlindenstraat) werd neer opgezet. Ten einde ouders en jonge mensen te wijzen op mogelijke gevaren, wilde hij de parochianen toch waarschuwen met te verklaren “dat satan door de hellepoort Lille was binnengevaren”. Daarna bleven de danstenten weg uit Sint-Huibrechts-Lille tot pastoor Soors in 1937 tot zijn ontsteltenis moest vaststellen dat er op de eigendom van Loos-Noten (tegenover de Citroëngarage) een danspaleis was geplaatst. Na de tweede wereldoorlog was het plaatsen van zulk een tent vrij algemeen. De danstenten stonden beter bekend onder de benaming van ‘de Meyleman’ of ‘Vertessen’. Zij stierven een langzame dood. Sommige verenigingen huurden deze tent wel eens af op een zaterdag voor de kermis. De inkom was voor de vereniging, het verteer voor de eigenaar van de tent, meestal was het geheel een mager beestje.

In tegenstelling tot de Lillenaren zelf waren de foorkramers niet altijd tevreden. Deze ontevredenheid vond waarschijnlijk zijn oorsprong in een mogelijk te weinig ontvangsten in verhouding tot de gemaakte onkosten. Dit bracht mee dat vanaf ± 1960 het aantal kermisattracties geleidelijk verminderde en alzo een soort van spelbreker was voor de kermissfeer. Om aan deze crisis te verhelpen heeft het toenmalig gemeentebestuur van Sint-Huibrechts-Lille een helpende hand toegestoken. In de zestiger jaren schafte zij het standgeld af dat de foorkramers aan de gemeenteontvanger moesten afdragen voor het plaatsen van hun attractie. In 1972 werd het dorpsplein volledig vernieuwd. De dorpspomp, die op 30 juni 1867 was geplaatst, werd opgeruimd, zodat dit plein veel ruimer werd en er een stuk meer kansen waren voor de ‘kermismannen’. En met al deze materiële voordelen groeide de kermis opnieuw uit tot een volwaardige volksactiviteit.

Vanaf 1956 heeft het kermiscomité voortdurend samengewerkt met de Lilse middenstand en het gemeentebestuur; de burgemeester werd voorzitter. Uit dit vlotte samenwerking groeide ook een vooruitstrevende werking. Over het kanaal, waar voorheen de kermisviering op donderdag plaats vond bij het café van Jaak Verlinden (mastklimmen, reis naar de maan, enz.) wordt door het comité kermis ingericht. De organisatie is thans in handen van de ‘Geuzebroeken’ en hun kermisfeest bestaat uit een heel gamma van volksspelen voor jong en oud. Al bij al, wie het kermisprogramma van de laatste jaren inkijkt staat zeker verbaasd over de veelzijdigheid van de aanbiedingen.
Een tweede Lilse kermis, waaraan het kermiscomité aan meewerkt, heeft plaats op de zondag na 3 november bij gelegenheid van het Sint-Hubertusfeest. Deze kermis moet men uit hoofde van zijn ontstaan onderbrengen bij de ‘foor’. Voor de tweede wereldoorlog en ook nog een tijdje erna is er helemaal geen Sint-Hubertuskermis geweest. Plaatselijke handelaars verkochten op het dorp wel eens broodjes, die gedurende de Sint-Hubertusmis gewijd werden. Bedevaartvaantjes werden niet verkocht, doch in de plaats daarvan werden medailles van Sint-Hubertus aangeboden. Dat deze Sint-Hubertuskermis in oorsprong als markt begon, kan worden afgeleid uit het feit dat de gemeenteraad van 30 november 1846 een verbod uitvaardigde nog Sint-Hubertusmarkt te houden. Als reden tot deze weigering wordt vermeld dat “deze markt toch maar alleen bezocht wordt door liedjeszangers, schareslijpers en leurders in ‘quinquenalerie’(ijzerwaren)”. Op 6 november 1921 werd de kermis verstoord door een zeer zware storm, want zo staat vermeld in het Maaseiker Weekblad: “Op het dorpsplein dat gans bezet was met tenten, winkels, paardenmolens en andere vermakelijkheden werd alles erg beschadigd.”
Een derde kermis, die intussen al lang tot het verleden behoort was de ‘Weteringkermis’. Jan Mussen en zijn vrouw Beth woonden aldaar en hadden er een ‘gelegenheidscafé’ die open was op het ogenblik dat de ‘toemet’ of nagras uit de wateringen werd geoogst. Dit was meteen de aanzet tot de ‘weteringkermis’, waar naast het drinken van bier en jenever, het kegelen en het ‘kremke steken’ eveneens tot de bezigheden behoorden.

Hoe het met de kermissen in het algemeen verder moet, is en blijft een vraagteken. “Foorkramers worden overal en door iedereen uitgebuit’ bloklettert een Limburgs dagblad in september 1992. “Winkeliers hebben de buik vol van kermis” verkondigt een Eindhovens dagblad op 15 mei jongstleden. Hopelijk is dit alles geen teken aan de wand!

Luc Stalmans

Wij danken de heren Leo Schonkeren en Willy Heunen voor de gegeven informatie.

70 jaar kermiscomiteit in lille 202570-jaar kermiscomiteit 2025

 


Heemkundige Kring St.-Huibrechts-Lille
p/a Lille Dorp 30
3910 Sint-Huibrechts-Lille

 


RPR 0415444169
Ondernemingsrechtbank Antwerpen
Afdeling Hasselt