VOLKSGEBRUIKEN

Na de novelle "Bert, een dorpsprofeet" van Kapelaan Van der Donck, beginnen wij nu met het publiceren van een reeks over "Volksgebruiken".

Luc Stalmans (°1926-†1996), stichtend lid van de Liller Heemkundige Kring, schreef in ons tijdschrift "Het Liller Heem", tientallen artikels over oude volksgebruiken.

 

GEBOORTE (Uit Het Liller Heem, jaarg. 1, nr. 3, juli 1983)

Overal waar er mensen werken en leven gebeuren er dingen die vanaf de geboorte tot aan de dood toe, dit leven beheersen of beïnvloeden. Het zijn vastgeankerde gewoontes, die van geslacht tot geslacht werden overgegeven. Die "dingen" noemden men volksgebruiken. Overal wordt men ermede geconfronteerd, mogelijk verschillend van plaats tot plaats, veroorzaakt door het milieu waarin het gebeuren zich voordoet.

Alles begint bij het leven. Als een jong echtpaar de indruk had kinderloos te blijven, dan werd algauw een bedevaart georganiseerd, om aan dit euvel te verhelpen. Kinderloosheid werd aanzien als onheil. Moeder-schap daarentegen betekende rijkdom.
Naast het gestelde vertrouwen in Onze-Lieve-Vrouw van Goede Hoop werd de jonge moeder in ver-wachting door haar omgeving met raad en daad bijgestaan. Zich verschrikken was ten zeerste uit de boze. Evenmin mocht er gekeken worden naar intens vuur en te mijden was ook het bezichtigen van afzichtelijke of duivelse afbeeldingen. Zo dit alles verwaarloosd werd, was het gevaar niet denkbeeldig dat de baby zou geboren worden met bepaalde geboortevlekken, die dan de allergekste vormen konden aannemen. Een voortdurend goede humeur tijdens de zwangerschap en het bekijken van mooie plaatjes waren waarborgen voor het krijgen van een mooie baby. Een vaste waarborg hiervoor 's morgens bij het opstaan, een korst brood te eten, die met "goei" boter besmeerd was.
Voor kinderen die omtrent de aanstaande blijde gebeurtenis moesten "voorgelicht" worden, was er steeds een pasklare uitleg voorhanden. De ooievaar, die menig jong echtpaar gelukkig heeft gemaakt, was in deze voorlichting niet zo erg hoog aangeschreven en bracht in onze streek weinig of geen kindjes. Inspelend op het kanaal, zijn massa's kindjes met het schip aangekomen. Ook de kool en vooral dan de bloemkool-in onze streek waren er immers geen-waren de meest aangewezen planten waaruit een kindje te voorschijn kon komen. Ook via de palmbos in de tuin is menig kind in zijn wiegje beland. Vandaar dat iemand, die te nieuwsgierig informeert naar dingen die voor zijn geboorte zijn gebeurt, als antwoord krijgt: "toen zat gij nog achter de palmbos". Later dan, als de boot, de kool of andere vindplaatsen niet meer verdedigbaar waren, zijn vele baby's via het vliegtuig in de huiskamer beland.

Als de geboorte naderde werden meestal de kinderen ondergebracht bij familie of buren. In de meeste ge-vallen gebeurde de geboorte zonder dokter. Gewoonlijk was het een meer ervaren vrouw, die de moeder hielp bij de bevalling. Betje van de Kompen (Elisabeth Stoelen) heeft vele jaren geholpen bij de bevallingen. Later kwam de "goei vrouw" (vroedvrouw), hiervoor opgeleid, deze taak overnemen. In Lile werd dat gedaan door Lena  ? uit Achel en Maria Sweron, toen wonende in de huidige Kompenstraat.

Het pasgeboren kind werd algauw het voorwerp van allerlei vaststellingen, waaruit moest blijken welk een soort van kind er dan wel geboren was.
Graag had men dat een kind op zondag werd geboren, of liever nog op Kerstdag. Kinderen op die dagen geboren, waren gelukskinderen. Nog is bekend, het kind "geboren met de helm". Men had ontzag voor zulk kind, dat voor het geluk geboren was en aan wie bijzondere eigenschappen werden toegeschreven. Aan alles en nog wat hechtte men belang - vb. open- of gesloten vuistjes, om voor de boorling de meest gunstige voorspellingen te doen. In dit verband werden eveneens de deugden en de mogelijke ondeugden van de meter en de peter ter berde gebracht. Er werd immers van uitgegaan dat het kind later "zou trekken op zijn peter of zijn meter".
De aangifte bij de burgelijke stand werd meestal onmiddellijk en zonder veel omhaal afgewerkt. Het dopen was de eigenlijke gebeurtenis van de dag en had gewoonlijk plaats drie dagen na de geboorte. Geflankeerd door peter en meter, werd de boorling door alle weer en wind naar de kerk gedragen. Dit dragen gebeurde door een oudere buurvrouw, die als dat maar enigszins kon, het altijd deed in die buurt.
Op het Zand heeft Drieka Bollen-Thijs menig kind naar de kerk gedragen.

Goed gedoopt was het kindje dat luidruchtig weende wanneer de priester het zout op de tong strooide. Werd er niet geweend bij het ontvangen van het zout, dan zag men zonder meer een "stevige drinker" in de boorling. Na dit doopsel, en als de pastoor en de koster hun "drinkgeld" hadden ontvangen, kon het "tweede doopsel" een aanvang nemen.Menig sterk verhaal is hierover verteld. In het naar huis gaan, begon men reeds te feesten, omdat het kind gedoopt was. De herbergen die langs de weg naar huis lagen, werden aangedaan. Menig pintje werd gedronken op het nieuwe leven met een zuiver zielke. Verraderlijk was het echter winterdag, wanneer het drinken van een witje bij een rood gloeiende kolomstoof een feest was. Er werd natuurlijk naar een borreltje niet gekeken op deze feestdag! Het is dan ook meer dan eens gebeurd dat de draagster in plaats van één "mens" drie "mensen" naar huis moest brengen. Het gebeurde ook wel dat de draagster evengoed haar borrel of likeurtje meepikte in de herberg. Voor waarheid is verteld dat men in zulk geval meemaakte, dat het gezelschap terug in het jonge gezin aanbelandde zonder de boorling. De draagster had hem doodeenvoudig vergeten in de herberg. Echt gebeurd is wel dat men een schreeuwende boorling deed zwijgen door zijn "tutter" in de jenever te stoppen.
Na het doopsle begon het "kindje kijken". Buurkinderen, kinderen van familie en vrienden en hun ouders kwamen op bezoek. In tegenstelling tot andere streken was men hier niet zo gul met het uitdelen van snoep.In het ene gezin werd gul peperkoek of "kinnekeskak" uitgedeeld. Andere gezinnen hielden het bij suikerbonen. Deze waren verpakt in een puntzakje waarop een kinderkopje in kleur was aangebracht. Al naargelang de boorling een jongen of een meisje was, waren deze puntzakje roze of blauw. vanzelfspre-kend kreeg de jonge moeder geschenken aangeboden van de bezoekers. Het bezoek had meestal plaats in de negen dagen die volgde op de geboorte. Vooral werden aan het gezin zaken gegeven die van pas kwamen. Als allereeste kwamen de buurvrouwen op bezoek. Dit gebeurde in de vroege avond en zij kwamen met "de kromme arm" wat inhield dat zij allerlei levensmiddelen bij zich hadden, opgeborgen in een korf. En als u weet dat deze korf aan de arm werd gedragen weet u ook meteen de betekenis van "de kromme arm". Op de late avond kwamen dan meestal de mannen hun vrouw afhalen en werden op een borrel getrakteerd. Meisjes op vrijersvoeten staken graag een helpende hand toe in het gezin van de boorling. Immers eenmaal de dag om en donker geworden, mocht zij niet alleen naar huis. Het was gewoonlijk "harer vrijeré die moest zorgen dat ze door "den donkeren" veilig thuis geraakte.

Eenmaal de negen rustdagen om, kon de jonge moeder weer aan de slag. Alleen naar de kerk gaan mocht niet. Enige weken na de geboorte, ging de moeder opnieuw naar de kerk. Dit gebeurde meestel in gezelschap van een buurvrouw en voor of na een heilige mis. Dit gebeuren ws de "kerkgang", of een rite waarin de vrouw die moeder is geworden bij haar eerste komst naar de kerk, dank zegt voor het ontvangen van het kind.  Achter in de kerk werd de moeder opgewacht door de priester. Met een brandende kaars in de hand werd gegaan naar het altaar van O.L.V. alwaar de gebruikelijke gebeden werden opgezegd. Na deze kerkgang was de moeder weer opgenomen in het gemeenschappelijke leven en kon ze verder zorgen voor haar jongste kind. En die zorgen waren wel nodig.
Was me bijgelovig werd aan de ingang van de slaapkamer waar het kindje sliep, een kruis verborgen. De kwade geesten, de kwade hand of andere kwelgeesten zouden het kindje geen kwaad kunnen doen. Vooral de kinderstuipen, "de stoepen", werden gevreesd, als voortkomende van de kwade hand. Dat deze kwade hand eigenlijk de onwetendheid vertegenwoordigde, wist men toen nog niet. Langs allerlei wegen heeft men deze "kwade hand" stilaan buitenspel kunnen plaatsen en dat alle middelen hiertoe goed waren, is te merken aan de oude trouwboekjes. Onder de titel "Verschillende raadgevingen" is vermeld o.a. Voorkomen is beter dan genezen, ene wel begrepen gezondheidsvoorzorg op ene verstandige manier toegepast zijn voldoende om later veel geld, drogen, pijnen en nutteloos verdriet te sparen.

DE EERSTE LEVENSMAANDEN (Uit "Het Liller Heem", jaarg. 2, nr. 1, januari 1984)

De meest natuurlijke voeding voor het opgroeiend kind was de moedermelk. Het was toen bijgevolg ook vanzelfsprekend dat iedere moeder haar kind zelf wenst te voeden. Wanneer dit niet mogelijk was, aanzag de onmiddellijke omgeving dit als een niet te aanvaarden tekort of gebrek van de jonge moeder. Voor de minderbegoeden was het gebrek  aan moedermelk moeilijk te verwerken. Er moest dan worden overgeschakeld naar de zuigfles. Voor een moeder uit de meer begoede burgerij lagen de zaken wel enigs-zins anders. Met het nodige geld kon een "min" worden aangeworven die het kindje kon zogen. De min kon evengoed een ongehuwde moeder zijn of een moeder waarvan het kindje was overleden.

Het eerste jaar was voor het kindje het moeilijkste jaar van zijn leven. Zeker was dit het geval, wanneer geen borstvoeding kon gegeven worden. Rond de eeuwwisseling werd in dit geval gebruikt gemaakt van een zuigkan. Deze kan - ook tuit genoemd - was in feite een blikken bus waarvan de opening was afgesloten door een kurken stop. Doorheen deze stop liep een gummidarm. Aan het uiteinde van deze darm werd een zuiger aangebracht, die in de mond van het kind werd gestopt. Het kind kon bijgevolg eten als het goesting had, terwijl de moeder ongestoord haar werk kon verder doen. Later werd de zuigkan vervangen door de fles voorzien van een gummi fopspeen. Met een gloeiende naald werd in deze "tutter" een gaatje gebrand dat klein of groot was, al naargelang de ouderdom van de baby.

Als de baby aan het wenen raakte, kwam de moeder eveneens in de problemen. Zij moest immers ophouden met haar werk en proberen haar kind te sussen. Toen de hedendaagse tutter nog niet bestond, moest er toch worden uitgekeken naar middelen om de baby te doen zwijgen. een der oudst gekende mid-delen was de "dot" . De moeder kauwde een stukje brood en vermengde dit met wat suiker of een andere zoetigheid. Het geheel werd samengeperst in een doekje, in de vorm van een bolletje. Zodra het kind weende werd het doekje in de mond gestoken. Meestal werd er dan voor gezorgd dat er een aantal van deze "dotten" in voorraad waren. Later nog, wanneer de meer hygiënische tutter op de markt kwam, bleef men toch bij zoetigheden om het kind te doen ophouden met wenen. In de wieg werd een kommetje geplaatst waarin zich suikerwater of honing bevond. Telkens het kind weende, kreeg het de tutter in de mond gestopt na voorafgaandelijk te zijn gedrenkt in het zoete vocht van het kommetje.

Begrijpelijk dat, al met al, de hygiëne dikwijls te wensen overliet. Kinderziekten allerlei waren aan de orde van de dag. Kindersterfte was de gewoonste zaak van de wereld. De geneesheer werd zelden geraadpleegd. Dikwijls had men er het geld niet voor, men zag het nut van een doktersbezoek niet in en wendde men  zich meestal tot de buurvrouw of een genezer die, uit hoofde van "jarenlange ervaring", minstens evenveel kennis had dan de dokter. Een redmiddel bij ziekten waren vooral de bedevaarten. De H. Leonard was sterk in het genezen van de "oude man" of de Engelse ziekte. Onze-Lieve-Vrouw van Rust werd aanroepen als het kind te veel weende. Sint-Cornelius werd met kaarsen bedacht om de zo gevreesde stuipen af te weren, en als het kindje te veel buikpijn had, ging men best te rade bij de H. Erasmus. In Lille kennen wij ons "Driegezusterskapelleke" op de Smeel. Nog ieder jaar worden er de kinderen gezegend op de zondag na de Sacramentsprocessie. De Driegezusters kunnen aanroepen worden voor alle ziekten. Heden ten dage wordt het Smeelkapelletje minder bezocht. Niettemin ziet men nu en dan op een vroege zondagmorgen nog mensen die enkele malen rond deze kapel lopen met de paternoster in de hand.

Naast het bedevaarten speelden de volksgebruiken alhoewel niet altijd even doeltreffend, een grote rol bij het genezen van kinderziekten. Indien de tandjes niet vlug genoeg te voorschijn kwamen, dan gebruikte men wel eens mollenpootjes, om aan dit euvel te verhelpen. Om stuipen te voorkomen werd het kind omhangen met een krans van lijsterbessen. Schapulieren en medailles, uit alle windstreken aangevoerd, werden aangewend ter voorkoming van alle onheil. Was het kindje al zwak bij de geboorte dan legden vader en moeder meermaals een gelofte af, hun kind ter ere van Onze-Lieve-Vrouw tot aan het zevende jaar in het blauw te kleden, opdat het zeker gezond zou blijven.

Naast de voortdurende zorg voor de gezondheid van het kind werd aandachtig zorg besteed aan het slapen. De wieg speelde een zeer grote rol bij het slapen. een der oudste modellen is de schommelwieg. Dit was een stevig uit hout vervaardigd meubel, uitgebouwd op twee naar binnen gebogen voetstukken. Soms was er een kap voorzien uit verplaatsbare houten repen, waarop stof was aangebracht. Door met de voet op een der naar binnen gebogen voetsteunen te duwen, kon de moeder het kind wiegen, zodat zij toch haar handen vrij had om enig huiswerk te verrichten. Gedurende de nacht kon men vanuit het bed of de alkoof en bij middel van een koord, het kind in slaap wiegen. In sommige gevallen werd de wieg wel eens vervangen door een net kistje, dat op twee stoelen werd geplaatst. Dit kistje had twee handvatten zodat het gedurende de dag door de ouders mee naar buiten kon gedragen worden.

Al naargelang het kind opgroeide moest het zelfstandig leren leven. Een van de problemen was het "leren lopen". De meeste ouders konden wegens hun werkomstandigheden zich niet voortdurend bezighouden met hun kinderen. Om het "leren lopen" op te lossen beschikte ieder huisgezin over een loopmand. Deze was klokvormig. Het kind hing met zijn armpjes over de bovenrand van de mand en kon bijgevolg door de grote benedenrand van de mand geen enkel voorwerp aanraken. Niettemin was de loopmand een gevaarlijk iets. Indien tijdens het voortschuiven, de loopmand tegen een vloerdorpel schuurde of enig ander voorwerp dat in de weg stond, kwam het kind meermaals ten val. Een veiliger systeem was de "lei". Dit systeem bestond uit een plankje waarin een opening was gemaakt. In deze opening werd het kind geplaatst. Het plankje zelf schoof over twee latten, die op hun beurt bevestigd waren op vier poten.
Het tegenwoordige "Perkske" is de opvolger geworden van de wissen loopmand. Na de loopmand was het aan de beurt aan de kinderstoel, om een belangrijke rol te spelen in het leven van het kind. Na verschillende maanden lang in wieg en loopmand op zichzelf aangewezen te zijn geweest, kon het kind nu, hoog gezeten in de kinderstoel, deelnemen aan het leven van de grote mensen. Deze kinderstoel had derhalve twee functies voor het kind. Naast het feit, dat het opeens in de wereld van de grote mensen verzeilde, werd de stoel eveneens gebruikt als kakstoel, zodat meteen een aantal luiers werden uitgespaard.

KINDERSPELEN (Uit "Het Liller Heem", jaarg. 2, nr. 2, april 1984)

Deel 1

Er kwam een tijd dat opgroeiende kinderen niet meer zo volgzaam waren als vader en moeder het wilden. Liever dan slapen gaan bleven de kinderen bij de grote mensen. Al wat niet kon of mocht werd juist door deze bengels gedaan! Alhoewel de opvoeding streng werd doorgevoerd, konden de ouders niet blijven dreigen met in de hoek te moeten staan en met het geven van een draai rond de oren. Aan de dreigementen werden de kinderen gewend en "het in de hoek staan" werd daarentegen meestal handig omzeild.

Niet te omzeilen was echter het dreigend spook van het onbekende. Om te vermijden dat hun kinderen on-deugend zouden zijn of allerlei kattenkwaad zouden uithalen, hadden ouders een deugdelijk wapen achter de hand. Er was de onbekende kwelgeest. En tegen dit onbekend iets kon de stouterik zich amper verweren.Het was ergens onzichtbaar en kwam slechts te voorschijn op het ogenblik dat hun kind stout en ongehoorzaam was. De Boeman, want dit was immers het geheimzinnig iets, vertoonde zich in de meest verscheidene vormen. Menig landbouwer dreigde met het "korenmanneke" als de kinderen door zijn korenland liepen. Een beschrijving van zulk manneke werd nooit gegeven. Het volstond te weten dat je bloed werd uitgezogen als je gepakt zou worden. Kinderen die toch het risico namen, om een mooie blauwe korenbloem te plukken en zich wat te ver in het korenveld waagden,  werden door hun vriendjes bedacht met het volgende lied:

"Hedde genen wolf in het korenveld gezien
Hadde 'm niet zien lopen
met zijn kromme poten,
Hedde 'm niet zien gaan
met zijn holle blokken aan"

Als er winterdag kon "geslipperd" worden op de sloten, werd dit volgehouden tot de duisternis reeds was ingevallen. Als moeder riep voor het avondeten werd deze uitnodiging zonder meer over het hoofd gezien. Anders werd het als moeder begon te dreigen, dat de "vriezeman" zou komen als er niet gehoorzaamd werd. En met zekerheid dat moeder de waarheid sprak, werd de ijspret vlg opgeschort.
De "vriezeman" moest toch eens komen......

Janneke Maan, en zeker als hij volrond, verluchtend aan de hemel stond, leek wel een vertrouwelijke vriend omdat hij zoveel licht verspreidde. En toch als je vader moest geloven, was Janneke Maan toch niet de eerste de beste. Als je goed keek zag je op de maan een manneke rondlopen met een takkenbos op zijn rug. Omdat hij onlangs op een zondag hout gesprokkeld had, was dit manneke op de maan verbannen voor eeuwig en altijd. Hoe dit manneke op de maan verzeild geraakt was, en wie dit manneke dan wel was, was al voldoende om voorlopig "de beste voornemens" te maken.

Ouders hadden verschillende "mennekens" in petto, al naargelang de omstandigheden. Met het "putmen-neke" werd gedreigd als het kind zich aan de putrand trachtte op te hijsen. Omdat onze ouders en voorouders ook prachtige boomgaarden bezaten, zal het niemand verwonderen dat meerdere kinderen met neergeslagen ogen langs deze boomgaarden liepen! Het "appelmenneke" moest eens in de boomgaard zitten.! Minder bekend in onze streken was de "Bietebouw" als de kwade geest. Gekend is echter wel het lied, gedicht door René Declerq en getoondicht door Emiel Hullebroeck, en welk lied we voor enige tijd op band kondenopnemen:

"Kleine, kleine stouterik
zoudt gij tegen moeder tergen
wacht ik zal hem roepen ik
uit de zwarte bergen
grijp, grap, grimmeland,
zonder lip of zonder tand,
grijp, grap, grauw, de bietebauw."

Van deze vroegere kwelgeesten zijn er heden ten dage niet veel meer overgebleven. Zelfs de paasklokken, die in betere dagen stenen lieten vallen in de plaats van eieren, als een kind gedurende hun tocht, naar buiten kwam, zouden zich thans dood schamen om nog maar een enkel pietleuterig steentje te laten vallen. En wat te zeggen van zwarte Piet die in de laatste jaren dermate is gedegradeerd, dat de kinderen in hem nog maar alleen een ordinaire pakjesdrager zien.

Deel 2

Kinderen waren niet altijd stout. Ze konden braafjes spelen in hun vrije tijd. Ieder seizoen had zo een beetje zijn eigen charme wat deze spelen betrof. Niemand kommandeerde deze spelen. Er werd aan begonnen en opeens was dezelfde bezigheid toch alweer verdwenen om plaats te maken voor een ander spel. Samengevat: al naargelang het jaargetijde veranderde, werden ook de kinderspelen aangepast.

Nauwelijks de lente begonnen, werden in grachten en sloten molentjes gebouwd, die door het wegvloeiende water werden voortbewogen. Met kunstige hand werden van elzen- of wilgenhout fluitjes vervaardigd. De grote moeilijkheid was dat het enig doorzicht vroeg de schil of bast van het houten gedeelte af te halen. Ook de "eike mulders" of de meikevers waren niet weg te denken uit het leven van een kind. In de meimaand had ieder kind wel een luciferdoosje, waarin samen met enkele groene eikenblaadjes een meikever was geborgen. Wel werd zorg gedragen geen wijfje in zijn bezit te hebben vermits elkeen die met een wijfje opgeschept was, mocht overtuigd zijn binnen de korst mogelijke tijd behept te zijn met het "krauwsel".
De afstand tussen de school en thuis werd meestal al lopend afgelegd met in de hand een reep "fietsenwiel met een stok voortbewogen" of een koordje waaraan het deksel van een schoenpoetsdoos was vastgemaakt.

In volle zomer werden korenaren afgeplukt. Met behulp van een toespeld werden de zachte korrels uit de aar gepikt en opgegeten. Een der voornaamste spelen ten minste wat de jongens betreft, was gedurende de zomer het "Huvenspel". Deze "huven" of knikkers waren meestal uit klei vervaardig en ze bestonden uit verschillende kleuren. Het "Hèkske" een iets dikkere knikker en zilver gekleurd, was bij een groot verlies van knikkers, de enige hoop op redding. Deze knikkers, waarvan St.-Niklaas gewoonlijk de grote leverancier was, waren iets dikker dan de knikkers uit klei, en ze bezaten inwendig mooie gekleurde en gedraaide figuren. De knikkers werden gebruikt bij een viertal spelen. Een daarvan was "tikkes en spannes", wat inhield dat de speler met zijn geworpen knikker eerst en vooral de knikker van de tegenpartij moest geraakt hebben, doch eveneens de afstand tussen beide knikkers moest kunnen overbruggen met gespannen duim en wijsvinger. In deze gegeven omstandigheden moest de tegenpartij zijn knikker afgeven.
Het "preut gooien" was eveneens in gebruik. In dit spel werden acht knikkers op elkaar geplaatst in de volgorde van vier als basis, gevold door een opbouw van drie en één. Hij die de "preut" kon omverwerpen, werd de eigenaar van de knikkers die gebruikt werden door de andere spelers bij hun poging om de "preut" omver te werpen. Eenvoudiger was het spel van "paar en onpaar". Het was een gokspel en kan vergeleken worden met het huidige "stekjes raden".
Een andere mogelijkheid tot knikkeren bestond erin, dat een aantal spelers hun knikker in een boogvormig uitgehold vlak in het zand wierpen. Hij die het hoogste kwam te liggen kreeg de knikkers die zich in dat vak bevonden. Zo twee knikkers even hoog lagen werd dit als pot aanzien. Deze pot werd toebedeeld aan de speler die het volgende spel won.
Een moeilijker spel was het "potten", waarbij de spelers minstens drie knikkers in de hand moesten hebben. Deze drie of meer knikkers werden met een zelf gekozen snelheid in een in de grond gemaakte holte geworpen. Voorafgaandelijk diende de speler op te geven of er een paar of een onpaar aantal knikkers buiten de holte zouden liggen.
Een ander spel werd gespeeld met de "bollerik". Deze knikker was merkelijk dikker dan al de anderen en vervaardigd uit cement of witte zandsteen. Het gebruik ervan was ook anders. En zo kon men zien dat ge-durende bepaalde periodes de speelplaats of zelfs een plaats thuis, voorzien was van een aantal merkwaardige "slangen". Gelijk de slang zich in allerlei bochten kon voortbewegen, zo werd ook de slang , waarin met de "bollerik" werd gespeeld, met allerlei grillige vormen in het zand getrokken. Bevoorrecht was hij die in het bezit kon geraken van een "looi". Dit was een "bollerik" uit metaal en kwam vooral uit kogelllagers. Mogelijk zijn er nog varianten geweest in dit knikkerspel. Nieuwe wegen, fietspaden en de geplaveide speelplaatsen hebben er toe geleid dat het "huvenspel" is verminderd, zij het al niet verdwenen op vele plaatsen

Eenmaal het flierenhout beschikbaar was, begon het tijdperk van de "schietpiep". Het merg werd uit het flierenhout gehaald. Uit hondshout werd dan een stamper gesneden en gepast in de holte van het flierenhout. Als schietmateriaal werd gebruikt de hondsbes voor kleinere schietpijpen en de elzenstop voor de grotere. Waren er geen bessen voorhanden dan werd papier tot een prop gekauwd en als schietmateriaal gebruikt. Het gebeurde in die dagen meermaals-en niemand zal er verwonder over zijn-dat er wel eens fikse ruzies ontstonden, wanner de ene de andere met een "schietbes" had geraakt.
Een ander zij het meer gevaarlijk wapen was de "katteprul". Dit schiettuig bestond uit een houten kruk waaraan twee stukken elastiek (litsen) waren bevestigd. Op hun beurt waren deze stukken elastiek verbonden met een stuk leder of katoen. In dit gebogen stuk werd het weg te schieten projectiel gelegd. Meestal werd dit speeltuig door de ouders en onderwijzers verboden. Niettemin bezat praktisch elke jon-gen een "katteprul".

Andere vormen van spelen waren de "dop" en de "snor". Dit laatste was een afgeknaagd varkensbeentje waarin een gaatje was gebrand. Door dit gaatje werd een dubbel koordje aangebracht zodat het varkensbeentje eerst kon opgedraaid en daarna afgetrokken worden. Bij het aftrekken bracht het beentje een snorrend geluid voort. Wie geen beentje had, maakte gebruik van een knoop.

Meer naar de herfst toe en vooral na het rooien van de aardappelen, werden gevonden aardappelen aan een stok geprikt, gebakken in het vuur van het brandend aardappelloof en daarna lekker opgesmuld. Rond die tijd begon men er ook aan te denken om papieren vliegers te maken, die bij harde wind werden opgelaten. Bieten werden uitgehold en tot doodshoofd verwerkt, met daarin een brandende kaars.
Als het dan winter werd, was moeders kolenzeef telkens weer zoek, omdat het ergens buiten dienst deed  als vogelvanger. Aan de voorzijde rustte dit zeef op een stokje waaraan een koord was vastgemaakt. Onder het zeef werden kruimels gelegd. Eenmaal dat een hongerige vogel onder het zeef eten pikte, werd aan de koord getrokken en werd de vogel onder de vallende zeef gevangen. Meestal werd uitgezien naar een merel. Deze werd gekooid en goed verzorgd. In de daarop volgende lente werd er dan met plezier geluisterd naar het gefluit van die merel, wat meteen een uitnodiging was om opnieuw te beginnen met het maken van...fluitjes van elzen-of ander hout.   
 

KOMMUNIE (Uit "Het Liller Heem", jaargang 2, nr. 3, juli 1984)

Deel 1

In een eerder verschenen artikel werd gehandeld over de doop en al wat daar rond gebeurde. Zo vroeg mogelijk werd aan het kind bijgebracht dat Onze-Lieve-Heer bij zijn leven hoorde. Het kreeg een kruisje met wijwater als het ging slapen en als het opstond. Een speelse moeder maakte soms wel een kruisje met zijn voetjes. Het kindje werd gewezen naar het kruis en het Lieve Vrouwke op de schouw. Het leerde dan in de handjes klappen en zeggen:

"Danke Lieve Heerke
Danke Lieve Vrouwke
Danke Engelke zoet
Dat Doruske bewaren moet
van alle vuur
van alle kwaad
van alle ziektes
van alle ongelukken
Danke, danke, danke"

Als het donderde keef het Lieve Heerke, als het regende pisten de Engelkes, en wanner het regende terwijl de zon scheen, was het kermis in de hel! Het hemelse was steeds nabij. Daarentegen loerde ook overal duivels. Om zich hier tegen te verweren, maakte de boer met kalk een groot kruis op de staldeur. Op de binnenstaldeur prijkte het krachtige gebed van Keizer Karel of een huiszegen om de zwarte hand of andere duivelse werken uit het huis te houden!
Zo groeiden de kinderen op naar hun schooltijd toe. Onze grootouders gingen toen slechts naar school vanaf hun zevende jaar. Als de meisjes elf en de jongens twaalf jaar waren mochten ze hun eerste commu-nie doen. Zijn eerste communie doen was in een kinderleven één der mooiste belevenissen. Het betekende meteen, dat het meisje of de jongen tot de jaren van verstand was gekomen, en...mee kon helpen, om wat bij te verdienen in de dikwijls zeer grote families. Op die eerste communiedag droegen de meisjes een zwart of donkerblauw kleed, lang of drie vierde naargelang de mode het voorschreef. Op het hoofd werd een witte voile gedragen, vastgehouden door een kroontje. Deze voile werd door alle meisjes uit het gezin gebruikt bij hun eerste communie. De jongens droegen een deftig zwart kostuum, lange of half lange broek. Het hoofddeksel was een bolhoed  Aan de linker mouw werd een zijden strik gedragen en aan de voeten hoge rijlaarsjes met nestels toe gebonden.

In 1910  oordeelde paus Pius X, dat ingevolge het verbeterd onderwijs en een andere opvoeding, de kinderen verstandig genoeg waren om hun eerste communie vroeger te doen. De leeftijd werd door de paus bepaald rond zeven jaar. Van dan af werd, naast de eerste komunie, ook de plechtige communie ingesteld. Deze laatste benaming wordt thans in het kerkelijke vervangen door hernieuwing der doopbelof-ten en vormsel.

In tegenstelling tot nu was de eerste communie vroeger een eenvoudig doch niet minder ernstig gebeuren. Het communiekantje werd maandenlang door de zuster, de meester, de pastoor en zijn ouders voorbereid op die dag. Naast de geestelijke voorbereiding moest tevens geleerd worden hoe men de communie moest ontvangen, of hoe en wat er moest gebiecht worden. De eerste communie werd gedaan op Witte Donderdag in de mis van 8 uur. Meestal was moeder alleen aanwezig bij dit plechtig gebeuren. Vader beschikte in die dagen niet over snipper- of andere verlofdagen. Het feest bij deze gelegenheid was meestal zeer eenvoudig. Communieprentjes werden niet gedrukt. Van tante nonneke of heeroom kreeg men wel eens een mooi beeldje, met aangepaste tekst er op aangebracht. En daarmee was in de meeste gevallen de kleine of eerste communie afgelopen.
Heel anders was het gesteld met de grote of plechtige communie. Vooral na het dekreet van Pius X trad er een grondige verandering in wat betreft de plechtige communie. De kledij was voor iedereen een gevoelige materie. Aanvankelijk bleef deze zoals hoger beschreven. Bij de meisjes bleef het communiekleed lange tijd ongewijzigd. In tegenstelling tot de omringende dorpen was het witte, lange kleed in Lille niet gebruikelijk. Onder druk van de parochiepriesters werd de kledij zeer eenvoudig gehouden in de vorm van een eenvoudig blauw kleed, gemaakt uit "crèpe de chine" of "peau d'ange". Het duurde tot na de oorlog 1940-1945 dat de meisjes hun plechtige communie "in het wit" deden. De jongen droegen toen meestal een gewoon blauw kostuum, waarvan de broek varieerde tussen kort en lang. Tegen het eind der dertiger jaren kwam er verandering in het soort communiekostuum. Er werd gebruikt gemaakt van allerlei kleuren en de pofbroek was van dan af erg in trek. Er werd geen hoofddeksel meer gedragen. De coiffeuse nam wel eens het jongenshoofd onder handen en legde sierlijke waterlokken in het haar. Het gewone blauwe kostuum werd later toch weer tijdelijk in gebruik genomen.

Deel 2

In de zestiger jaren werd dan een definitief einde gesteld aan de eenvormigheid van de communiekledij. Er werd overgeschakeld naar een zeer gevarieerde klederdracht. Van dezelfde tijd is het gebruik van het mis-saal. Dit dik gebedenboek, gelegd in een met kant afgeboord doekje, werd in de linkerhand gedragen. De vereniging van oud-strijders schonk een missaal aan de kinderen van hun leden. In andere gevallen werd meestal het missaal geschonken door de meter. De peter zorgde voor een armbandhorloge. Na het laatste concilie geraakte dit missaal in onbruik.

De dag der plechtige communie is evenmin gespeend gebleven van veranderingen, evenals het communie-feest. Rond de eeuwwisseling was het communiefeest een zeer eenvoudig iets. Er was slechts een euchari-stieviering. En als er een feest was, werd dit zeer sober gehouden. Hoofdzaak was immers dat de com-minekant thans oud genoeg was om uit te gaan werken.

Op het ogenblik dat de kerk meer luister bijbrengt aan de plechtige communie, komt er eveneens een evo-lutie in het kleden en het feesten. Op de dag van de communie kwamen alle communiekanten samen aan de school van de zusters. Voorafgegaan door engelen, begaven de communiekanten zich naar de kerk. Meer dan eens werden zij begeleid door de Lilse fanfare. Het vormsel werd niet op de communiedag toegediend. Dit gebeurde later in Hamont of in Neerpelt waar de bisschop het vormsel toediende aan de kinderen die hun communie hadden gedaan de twee of drie laatste jaren. Gewoonlijk werd dan de plechtige communie gedaan in de mis van 8 uur. Nadien was de communiekant nog aanwezig in de hoogmis en het lof, in de na-middag om 15 uur. In dit lof werden de doopbelofte hernieuwd en gebeurde de toewijding aan Onze-Lieve-Vrouw. Kinderen, die redekijk ver van de kerk woonden, mochten na de mis van 8 uur aanzitten aan de koffietafel bij een of andere handelaar, waar het kostuum of andere artikelen werden gekocht. Na het lof had het communiefeest plaats.

De voorbereiding op de plechtige communie duurde normaal twee jaar. Iedere dag na de mis van 7 uur werd door Mijnheer Pastoor cathechismus gegeven in de kerk onder het doksaal. In die dagen was het de Mechelse cathechismus, die elk aspirant communiekant op zak had. Het was tevens gebruikelijk, dat op het einde van een cathechismusjaar door de pastoor een examen uitgeschreven werd over hetgeen in het verlopen jaar werd geleerd. De best geklasseerde mocht in vroegere tijden plaats nemen als eerste in de rij op de dag van de plechtige communie. Later kreeg deze primus een missaal als prijs. Een Lils gebruik heeft er in bestaan dat communiekanten tarwekorrels opspaarden. Hiervan werden achteraf hosties gebakken die gebruikt werden bij de plechtige communie. Dit opsparen gebeurde in de school. In verhouding tot het aantal verstervingen, door de communiekant gepresteerd, mocht hij evenveel korrels tarwe in het daartoe bestemde korfje leggen.

Bij het feest in de kerk, hoorde het feest aan huis. Harry Vandeweyer, thans 75 jaar, weet nog dat in zijn tijd alle communiekanten bij de pastoor werden ontvangen en er een glas wijn moesten drinken. Vooraleer echter aan het feest deel te nemen, ging de communiekant "zich laten kijken" bij oom, tante of vrienden waar hij uitgenodigd werd. De feesteling werd meestal met geld bedacht. Peter en meter die op het feest genodigd waren, brachten iets mee in natura dat varieerde van een ingelijste foto van het laatste avondmaal of andere devotieprentjes, een wijwatervat of heiligen beelden.
In ruil voor deze geschenken kreeg de gever een gedachtenisprentje. Alhoewel het communiebeeldje reeds dateert van omstreeks 1855, vond dit verschijnsel bij ons ingang na het einde van de de eerste wereldoor-log. In tegenstelling tot nu werden zij zelden bewaard en gingen verloren bij huwelijk, verhuizing of overlij-den  De afbeelding op het prentje was zeer vroom en romantisch. De tekst op de achterzijde ervan lag in dezelfde lijn. Aanvankelijk vond men dit prentje alleen terug bij de gegoede kringen. Het gebeurde ook wel dat de tekst met de hand werd geschreven of dat men zelf een beeldje tekende.

Het eigenlijke communiefeest liep ook wel eens slecht af voor de de feesteling. De communie was in zekere zin het einde van de kinderjaren. De communiekant werd bij de "groten" gerekend. Dit alles werd meestal bezegeld door het roken van een eerste sigaret, waarvan de feestvierders met overtuiging beweerden dat de rook diep moest ingehaald worden. En als er dan ook nog een borreltje of iets dergelijk bijkwam, dan zal het niemand verwonderen, dat onze communiekant met  bleek gezicht en een zieke maag naar bed moest. Met in gedachte dat de grote wereld waar hij van nu af aan bij hoorde, toch maar gemene dingen kon doen. 


"Hop, hop, hop, zeven centen voor een geitenkop" (Uit "Het Liller Heem", jaargang 2, nr.4)

Deel 1

Het is de mens, door alle tijden heen, eigen geweest te werken op een ritme dat hij zelf bepaalde en tot uiting bracht door allerlei klanken. Deze klanken werden later in woorden omgezet en met deze woorden ontstonden liederen. Naarmate het arbeidsgebeuren zich meer en meer moderniseerde en mekaniseerde was er geen behoefte meer aan kadans of ritme. Het arbeidslied verdween. Zoals in vele gevallen, is in het kinderleventje veel behouden, wat in de volwassen wereld verloren ging.

"Adam en Eva zaten in een schip
Hip - hip - hip
Adam en Eva zaten in een schip
Hip - hip - hip"

Zo zongen de meeste meisjes een van de vele liedjes in hun kinderjaren. Met dit wijsje zitten wij meteen in de wereld van het touwtje springen. Dit spel werd meestal beoefend in de lente of de herfst, hetzij allen of in groep. De springkoord kon variëren van een mooie stevige koord, met aan beide uiteinden een hel gekleurde handvat, tot een gewone alledaagse koord zonder handvatten. Bij dit touwtje springen, werd het ritme of kadans aangegeven, bij middel van de meest uiteenlopende liederenschat.
Uit de gebruikte teksten blijkt dat bepaalde liedjes afkomstig zijn uit andere streken. Het beste voorbeeld hiervan zijn wel de volgende liedjes:

"J'ai des fleurs jolies
apetee d'Paris - aporté de Paris
do - re - mi
fa - sol - la
do - la, do - la"

Of nog:

"L'autre jour de ma chebrette
(dans ma chambrette)
Ma chebret di a ho
Ma petitte cigarette
Alemale di a ho
Do re mi fa sol la si do
Do re mi fa sol la si do."

Het meest voor de hand liggend, wat de herkomst van dit soort lied betreft, is het feit dat meer gegoede meisjes franstalig onderwijs volgden. Gedurende hun verlof werden de woorden door andere kinderen be-luisterd en op hun eigen manier onder woorden gebracht. Er waren ook uitsluitend Vlaamse liedjes waarvan de betekenis aan de fantasie van de toehoorder werd overgelaten, o.m.:

"Vis, vis, lange vis
die vanne nacht gevangen is
vanne een, twee, drie"

Of:

"Eske bedeske gloria, hoepsasa, hoepsasa
Eske, bedeske gloria, hoepsasa, hoepsasa
1-2-3-4-5-6-zeuven, ich goi noa Leuven,
ich goi noa Leuven (2x)" 

Meer verhalend was het volgende liedje:

"Rosalie die ging eens wandelen
En zij nam haar zusje mee
En zij klom maar op de bergen
En zij liet haar zus allen
't Was niet schoon van Rosalie
Dat ze hare zus liet staan
En ze moest van hare moeder
Naar een andere school toegaan."

Een meer recent springliedje duidde het ritme aldus aan:

"Ik heb een jasje gekocht
naar de naaister gedaan
zo gezegd, zo gedaan, om naar huis te gaan
inspring (naam), inspring  in
uitspring (naam), spring uit."

Kinderspelen waren altijd min of meer verbonden met de natuur. Wanner het in de zomerse dagen te warm was voor het touwtje springen, werd meestal overgeschakeld naar het balspel of ronddansen. De helge-kleurde kaatsbal, door Sinterklaas meegebracht, werd dan veilig in een gebreid netje opgeborgen en mee naar school genomen. Het balspel werd alleen of in groep gespeeld. Bij één van deze groepsspelen dienden er geraden te worden wie de bal in het bezit had. Een der spelers wierp dan de bal over zijn hoofd naar achteren. De opgestelde kinderen probeerden deze te pakken. Diegene die de bal bemachtigde, verborg hem achter de rug. In koor riepen dan al de kinderen:

"Antoinette wie heeft de bal
Draai u om
Dan weet weet je 't al."

Deel 2

Werd niet aan balspel gedaan, dan was het "ronddansen" zeer in gebruik. Bij de kleinsten was het favoriete liedje meestal:

"Ringele ringele roezen
Boter in de doezen
Eier in de kasten
Meurge zullen we vasten
Overmeurge scheupke slachten
Dè zal schreuwe, blèè"

Of:

"Blauwe bloemekes kransen
De juffrouw die moet dansen
De juffrouw die moet stille staan
En driemaal in de ronde gaan
De juffrouw die moet knielen
En weer een ander kiezen
En dat zal zijn
En dat zal Mathilleke zijn"

De grote kinderen hielden het meestal bij spelen, met meer beweging, o.a. zakdoekleggen en dat gebeurde met het volgende liedje:

"Zakdoek leggen, niemand zeggen,
Koerlekoe de haan die kraait
Hij heeft twee paar schoentjes aan
Eén van stof, één van leer
Hier leg ik mijn zakdoek neer."   

Waar de voorgaande teksten nog enigszins begrijpelijk voorkomen, is er aan de volgende tekst geen touw meer aan vast te knopen:

"De keizer van Rome
Napoleon zijn zoon
Hij was nog te klein
Om keizer te zijn
Van wiedewiet, draai u maar om
Paula, Paula, waar is uw mama
Handen in de zij
Handen op de borst
Wat heb ik dorst.
O mij liefste...wat zult ge toch wezen
O mijn liefste...wat zult ge toch zijn
In de kaste ligt er suiker
Als ge er aankomt dan krijgt ge van links en rechts."

Een veel voorkomend spel betrof het maken van een rij, waarbij een kind tegen de muur stond, terwijl de andere kinderen onder diens arm doorkropen, al zeggend:

"Mamake, papake, laat het menneke door."

Een maal in een kring, namen zij elkanders hand, en maakten de beweging van het zagen, terwijl er verder gezongen werd:

"Zage, zage, wiede wiedewagen
...kwam een boterham vragen
Moeder was niet thuis
Vader was niet thuis
Piep zei de muis in het zomerhuis."

Om er voor te zorgen dat iemand op een eerlijke wijze het spel mocht leiden, of als eerste aantreden, de-den de kinderen beroep op aftelrijmpjes, die wat hun fantasie betreft voor niemand of niets moesten onder-doen.
Ook hier weer een franstalig rijmpje:

"Un, deux, trois,
Vous êtes en haut
Vous êtes en bas."

Veel gebruikt werd het volgende aftelrijmpje:

"Pot, rommele, rommele in de pot
Waar is jan en waar is zot
Zot is in de paardestal
Wat is hij daar verloren
Allebei zijn oren
Wacht maar tot hij thuiskomt
Dan zal hij er wel van horen
Rien, tien, dubbel tien,
vijfentwintig en vijftien."

Al naargelang de omstandigheden werd iemand uitgeteld als volgt:

"Ik ging eens naar de bakker
Ik kocht er een brood
Een blauw en een rood
Welk kies jij,
Een blauw of een rood (kiezen)
Wij zullen eens gaan zien
Of gij niet gelogen hebt."

Er waren tevens minder vriendelijke rijmpjes in omloop, die deels in gebruik waren om te plagen, en deels om zijn ongenoegen te doen blijken.
Iemand die aan de luie kant was, kreeg wel eens te horen:

"Jan mijne man is altijd ziek,
Midden in de week, maar 's zondags niet.
's Zondags gaat hij pintjes drinken
En 's maandags ligt hij in zijn bed te stinken.

Veelvuldig in gebruik en doeltreffend waren de volgende rijmpjes:

"Hollander, bollander, koeketel, spekdief
Rooi nel, snotbel
Anneke, tanneke, toverheks
Luilak, beddezak
Eierdop, kletskop"

Plaagrijmpjes waren er eveneens voorhanden. Als kinderen de koster onder ogen kregen dan moest deze ijverige man dikwijls horen:

"Bim-bam belleke
De koster zit in het schelleke
Wie is er dood
Een oud grijs menneke
Wij zullen hem begraven
Te Eksel in de haven
De ekster in de grote koel
Daar ligt hij op zijn dikke moel."

Of:

"Bim-bam beieren
De koster lust geen eieren
Wat lust hij dan, spek in de pan
En een dikke boterham."

En als je toevallig als Janssen of Ras geboren was, dan kon je al eens horen:

"Juffrouw Janssen
Stond te dansen
Op een berg
Zonder Erg"

"Jan Ras zat in de klas
Moeder meende dat het boter was
Moeder sneed er een stukske af
Ai, ai zei Janneke Ras."

Plezierige rijmpjes zijn te beluisteren als Katrientje moet leren spreken en mama haar best doet om het vol-gende aan te leren:

"Meet de pijp in de mond
En de borrel in de zak
Zo ging hij naar zijn gebuur
De gebuur was niet thuis
Toen ging hij naar zijn huis
Het huis dat was gesloten
Toen ging hij naar de poorten
De poorten waren toe
Toen ging hij naar de koe
De koe die wou hem slaan
Toen ging hij naar de baan
De baan die was te glad
En Jan viel op zijn gat."

Het kon eveneens gebeuren dat een kindje last had om de letter "l" uit te spreken. Met het volgende rijmpje kon dit gebrek wel worden verholpen:

"Leentje leerde lopen
Langs de lange Lindelaan
En toen Lotje niet wou lopen
Liet Leentje Lotje staan."

De knieën van vader waren meer dan eens een dankbare plaats voor een kleine kleuter om er zich te amu-seren. Terwijl vader de knieën op en neer bewoog, zong hij tot grote vreugde van zijn kleine peuter:

"Ju, ju, paardje op de trap
Morgen is het zondag
Dan komen alle heren
Met hun bonte kleren
Dan komen alle vrouwen
Met hun bonte mouwen
Dan komt Jan de Akkerman
Haru, haru, haru."

Verwonderlijk is het in ieder geval, en dit in tegenstelling tot hetgeen werd gemeend, toen aanvang werd ge-maakt met dit artikel, hoe veelvuldig de rijmpjes nog bestaan in al hun soort. Sommige zijn verdwenen, terwijl er van andere rijmpjes varianten zijn  ontstaan.
Het kind gaat meestal af op zijn gevoelen om kadans of ritme vast te stellen. In de gegeven omstandigheden worden de woorden betekenisloos en zonder probleem door andere vervangen.
Indien er lezers zijn die nog varianten kennen op de rijmpjes zoals hierboven beschreven of zelfs andere tekstjes kennen, dan zal de Heemkundige Kring deze graag in haar archief bewaren.

Volksgebruiken (Uit "Het Liller Heem", jaargang 3, nr.1) 

Op "Sint-Houbrecht mag er geen rad draaien", aldus een volkse uitspraak in Lille en omgeving nog voor de eeuwwisseling. De betekenis van deze uitspraak was duidelijk. Op het feest van Sint-Hubertus, 3 novem-ber mocht er helemaal niet gewerkt worden, en was een erkende kerkelijke feestdag. Meteen was een begin gemaakt met een ganse reeks van feestdagen waarvan er op dit ogenblik slechts enkele zijn overge-bleven. Sint Maarten , wiens feestdag op 11 november wordt gevierd, heeft in sommige plaatsen weten stand te houden. In Sint-Huibrechts-Lille werd destijds wel eens geprobeerd het Sint-Maartensvuur te doen heropleven, echter zonder resultaat. Dit is alleszins begrijpelijk, te meer daar de zin van dit vuurtjesto-ken niet is begrepen. St.-Elooi echter staat op een goed blaadje bij de smeden, metaalbewerkers en op sommige plaatsen nog bij de landbouwers. De naamdag van St.-Barbara, onze mijnwerkers noemen haar St.-Baar, is telkenjare weer een reden tot een gezellige samenkomst van onze mijnwerkers.

Hoogtepunt tijdens deze maanden is nog altijd het feest van Sint-Nikolaas. Deze mysterieuze heilige Niko-laas werd rond 250 in Patras (Klein Azië) geboren, en werd later bisschop van Myra. Deze aanstelling vond zijn reden in het feit dat Nikolaas zeer begaan was met kinderen, en eveneens omdat hij als rijke man een beurs met geld in de kamer van arme meisjes wierp. Met dit geld konden zij dan een bruidschat kopen. Tot op heden blijft de heilige Nikolaas de ongekroonde kindervriend, die zich door de eeuwen heen wist aan te passen aan de wisselende omstandigheden.

Het begon gewoonlijk midden november, wanner Nikolaas met zijn schimmel langs en manestraal naar de aarde gleed met zakken vol speelgoed. Jammer was wel dat hij vergezeld was van zwarte pieten, die in de verste verte niet te vertrouwen waren. Vooral in Lille niet. Nikolaas heeft zeker altijd zijn kwaadste zwarte pieten naar Lille gestuurd. Akelige zwarte pakken, voorzien van een rooie tong en te rode horens. Men zag van het lichaam niets dan twee glinsterende ogen, die je maar steeds in het oog hielden. En, als er in die donkere novemberavonden plotseling rond slaaptijd iemand voorzichtig belde, of bedeesd op de deur klopte,  dan waren de kinderen gerust. Zij wisten dan dat Nikolaas nog even voorbij kwam met wat lek-kers. Werd er echter ruw geklopt of gebeld dan waren er twee mogelijkheden. Ofwel was het een ondeu-gende Nikodemus  die de kinderen nog wat wilde plagen, of het waren zwarte pieten die opdracht hadden gekregen hier of daar een stouterik op te halen. Een gewetensonderzoek was al snel gebeurd. En welk kind zou op die bepaalde dag echt niets gedaan hebben? Een appel weggenomen of gevochten met broer of zus? Er waren in die dagen zoveel van die pekelzonden die gewichtig genoeg waren om de toorn van de zwarte pieten op te wekken en bijgevolg in de zak te moeten. Neen, dan kon Nikolaas zelf beter "binnen komen". Hij had dan wel dat dikke boek in de hand, waarin nauwkeurig al je tekortkomingen waren geno-teerd.Met zachte stem werden al die fouten nog eens kenbaar gemaakt aan de erbij staande huisgenoten. En als Nikolaas dan met een vermanende vinger om beterschap verzocht, kon zwarte piet dreigende geba-ren maken met zijn zak en rammelende ketting. Met een geruststellend gebaar riep dan Nikolaas zijn zwar-te pieten tot de orde en redde aldus het slachtoffer van god-weet welke folteringen. En menig twijfelaar was er in die uren dan weer rotsvast van overtuigd dat, ondanks alle betweterijen van de oudere jongens, de heilige Nikolaas en zijn zwarte pieten wel echt bestonden. En die overtuiging werd nog gesterkt bij het zien van de zak van zwarte piet. Twee benen die uit zijn zak staken, wezen er immers op hoe ernstig dan wel die bedreiging van "het in de zak steken" moest worden opgenomen. Nikolaas (Toon Franssen) zal er vermoedelijk nog veel plezier aan beleven als hij alle goede voornemens en beloften herinnert, aan hem kenbaar gemaakt gedurende zijn Nikolaas ambtsperiode. Als Nikolaas of zijn helpers geen tijd hadden om "binnen te komen" of iets langs schouw of venster te werpen, dan kon nog altijd de schoen of de klomp on-der de schouw gezet worden. Het alziend oog van onze Heilige man ontdekte meestal dit verzoek. Hoe dichter 6 december naderde, hoe meer opgewonden de kinderen raakten. Echte wildebrassen en twijfelaars werden met de dag kalmer. Brieven werden aan Nikolaas geschreven en bij de minste fout of vlek herschreven !

Voor het slapen gaan werd met vader en moeder de tafel klaar gemaakt waarop Nikolaas de geschenken moest deponeren. Elk kind had zijn bord. Om niets aan het toeval over te laten, werd eveneens gedacht aan het paard van Nikolaas. Hooi, bieten, wortelen en suiker werden in het bord gelegd, zodat het paard, terwijl Nikolaas binnenshuis de geschreven brieven las, buitenhuis op zijn gemak kon eten.
Datzelfde ceremonieel speelde zich eveneens af bij grootmoeder en grootvader wanner deze gulhartig hadden beloofd Nikolaas even binnen te roepen. Slapen was moeilijk. De wetenschap echter dat Nikolaas niet kwam als er niet geslapen werd, deed wonderen. Allen de twijfelaars hadden het moeilijk. Zij konden echt niet slapen. En zo gebeurde het dan in die dagen dat Jef en Driek zich voor de open kelderdeur had-den gensteld. Zekerheid moesten ze hebben ! En alle twijfels omtrent de zekerheid dat Nikolaas met zijn geschenken uit de hemel kwam, werden weggenomen toen Jef zijn vader hoorde zeggen aan zijn echtgeno-te: "Dit paard zullen we aan J ef geven." In de stellige overtuiging dat hij met dit paard, maar ook in het ge-heel niets kon aanvangen, heeft hij dan luidkeels geroepen: "Ik moet geen paard hebben ! Gij met het maar aan Driek geven !"

Ondanks alle geschreven brieven en wensen, bleef de morgen van Nikolaas altijd een verrassing. De eerste aanblik was een vol beladen tafel, waarop bij nader inzien toch niet alles stond, wat er had moeten staan volgens de wensen. Het gebeurde in sommige gezinnen, dat Nikolaas reeds alles had weggegeven aan de kinderen die echt heel arm waren. Geen speelgoed dus ! Er lagen dan wel op tafel heerlijk blinkende sterappelllen of sappige kromstaarten, een broek, een muts of wanten. Nikolaas gaf in de grote gezinnen alleen maar zaken die echt nuttig waren. Later dan, wanneer vader en moeder wat meer geld hadden over-gehouden, gaf Nikolaas ook al wat meer. Naast de appelen en peren, kon het zijn dat hij voor het ganse gezin één kiendoos meebracht of gebeurlijk een ander spel  waaraan het ganse gezin kon meedoen. En hoe meer geld er verdiend werd in het gezin, hoe meer Nikolaas meebracht. Bouwdozen met hun roze venster-jes waren zeer in trek. Kiendozen, blokkendozen, de mooie zingdop, de stevige pindop, huven en veel-kleurige knikkers hebben jarenlang  hebben jaren lang hun plaatsje gehad op het bord. Veelkleurige naai-dozen en poppen van "schink" of geperst karton werden aan de meisjes bezorgd. Op het blikken "cuisi-nièrken" werd gekookt en gebakken wat in het winkeltje van Nikolas werd verkocht. En al wa het dan maar slappe koffie of suikerwater, uitgeschonken in het platen- of porseleinen serviesje, smaakte het alsof er op de ganse wereld niets lekkerders bestond. En dan waren er ook nog de drama's, grote of kleine, na het bezoek van Nikolaas. Van al de massa's voetballen, die op de borden waren gelegd, belandden er overdag meer dan eens in het verkeerde doel. Menig huisvader zal het zich beklaagd hebben zulke voetbal te hebben aangekocht, als hij bij zijn thuiskomst 's avonds moest vernemen welk glaswerk op het naam-feest van Nikolaas in zijn huis was gesneuveld ! Even treurig was het gesteld met de slordige ruiter die zijn paard in de nacht liet buiten staan. Dat het de hele nacht geregend had, kon hij 's anderendaags wel vast-stellen. De gevolgen ervan moest hij ervaren bij het bestijgen van zijn ros. De nachtelijke regen had zijn kartonnen ros zo week gemaakt dat hij na het bestijgen ervan nog eigenaar bleef van een plank met vier wieltjes, waarop eens zijn paard gemonteerd was. Na een paar dagen wad de ruiter over zijn grootste ver-driet heen. Met de wetenschap dat  moeder op Nikolaasdag nog vele hespen, vissen en sigaren, allen ge-maakt van suiker en overgoten met een laag chocolade, had opgeborgen tot aan het kerstfeest, had hij toch weer iets om met blijdschap naar toe te leven.

Kerstmis is een familiefeest bij uitstek. Voor de mensen van toen was Kesrtdag een kerkelijke zondag. Hij die op woensdag na de derde zondag van de advent (quatertemperwoensdag) de gulden mis niet had bij-gewoond, ging naar de "middernachtmis". Deze  middernachtmis had gewoonlijk plaats te 05u00 in de morgen. Elke priester mocht die dag drie heilige missen lezen. Buiten de nachtmis woonden in de voormiddag praktisch alle mensen nog  3 heilige missen bij. Er was ook nog de gedurige aanbidding, wat inhield dat de gelovigen van de verschillende gehuchten op kerstdag en tweede kerstdag één uur lang kwamen bidden voor het Allerheiligste dat was uitgestald in de kerk. Om 15u00 waren de Vespers. Weinig mensen bleven weg uit deze Vespers. En zo gebeurde het dat de bewoners van het Zand, die aanbidding kregen toegewezen, twee uren naast de kerkdienst van de voormiddag, ook nog twee uur lang gedurende de namiddag in de kerk verbleven ! De kerstboom zelf vond, op enkele uitzonderingen na, zijn plaats in onze huiskamer even vòòr de tweede wereldoorlog. Voorgehouden werd, dat de kerstboom een heidens gebruik was. Wel stond er op iedere kast of schouw een kerstkribbe, gestampt uit karton en veelkleurig bewerkt. En al naargelang de beurs werd opengetrokken, kon er een stal aangeschaft worden waarin alleen het kindje Jezus was opgenomen met zijn ouders, of een uitgebreid geheel met herders, koningen, schapen enz. Veelkleurige kaarsjes stonden rond de kribbe, in karton of ijzeren houdertjes. Eenmaal de kerstboom zijn intrede had gedaan, werden daarin allerlei snuisterijen aangebracht, die meestal nog van Nikolaas afkomstig waren. Glazen vogeltjes, engelen en bollen vonder er evengoed 'n plaatsje, samen met de "gele, blauwe en/of groene kerstmiskerskens". En wat dit jaar gebeurde bij de ene - en de andere dacht, dat dit bij hem of bij haar niet kon voorvallen, en wat dan het volgende jaar toch gebeurde - was dat de kerstboom uit oorzaak van brandende kaarsen vuur vatte ! Na het blussen van die brand bleek tot ieders verdriet, dat er van de vogeltjes, de engelen en de bollen slechts een ruïne overbleef. Van echte kerstgebruiken, zoals er in andere provincies wel eens voorkwamen, was er in Lille geen sprake.
Hetzelfde kon worden gezegd van nieuwjaarsdag. Het gezinslid dat de dag voor nieuwjaar het laatste uit zijn bed kwam, was gedurende het hele jaar opgeschept met de bijnaam "kwak". Het "doorkaarten" is nog altijd in gebruik bij vele families. Afwisselend wordt dan ieder jaar bij de ene of andere familie op de avond voor nieuwjaar gekaart tot na middernacht.
De hoofdtoon lag wel op de nieuwjaarsbrief. Met de grootst mogelijke zorgzaamheid werden, onder de deskundige leiding van de meester of zuster, de nieuwjaarsbrieven neergeschreven. Vooral de brief bestemd voor peter, meter, heeroom of grootouders moest bijzonder goed verzorgd worden. De brieven gingen door de handen van vele tantes en nonkels. Deze moesten aldus een goede indruk krijgen van de mogelijkheden van hun petekind. In afwachting echter dat de nieuwjaarsbrieven konden worden voorgelezen, moesten deze verborgen worden, want de ouders mochten de brief niet gelezen hebben voor-dat hun kind hem zelf voorgelezen had. Zeker waar is dat er eens iemand zijn nieuwjaarsbrief zodanig had verstoken dat deze niet terug gevonden werd. Waar zou kunnen zijn , dat een nieuwjaarsbrief die op zolder in het losliggend koren was verstopt, door de muizen half was stuk geknabbeld.

Bij feesten horen geschenken. Van moeder en vader kreeg men meestal een peperkoek in de vorm van een hartje, versierd met suikerkorrels. Bij peter en meter kon er wel eens een geldstukje af. Bij de grootouders waar 's namiddags de kinderen en kleinkinderen samen kwamen, was het wel heerlijk. Na het voorlezen van de nieuwjaarsbrieven en het opzeggen van de nieuwjaarsversjes, trakteerden de grootouders op eigen gebakken Limburgse vlaai.

Een vaste gewoonte was het in Sint-Huibrechts-Lille, dat iedere inwoner op nieuwjaarsmorgen een brief op zijn deur bevestigd kreeg. Deze brief bevatte de nieuwjaarswensen van de Witte Broeken. In ruil voor deze wensen gingen de leden van de Witte Broeken na nieuwjaar op bedeltocht.  Het opgehaalde geld diende vervolgens, om hen later een paar plezierige karnavalsdagen te bezorgen.

Wat nu ook weer stilaan teloor gaat, is het schrijven van nieuwjaarskaarten. Het zal de vraag zijn of de hoge kosten hierin een rol spelen, dan wel de teloorgang van het een gebruik. Vooral de kinderen schreven kaarten bij de vleet. Op elke nieuwjaarsdag werd ongeduldig uitgekeken naar de facteur, die moest immers op nieuwjaarsdag werken, om te weten wie dan wel aan wie zou gedacht hebben op de feestelijke dag. De teleurstelling was dan groot wanneer deze briefdrager zijn ronde niet afgewerkt kreeg. De gedronken borrels en de winterse koude waren er wel eens de oorzaak van, dat de briefdrager geen vaste grond meer onder de voeten meer voelde en noodgedwongen naar huis toe moest geholpen worden.

Volksgebruiken (Uit "Het Liller Heem", jaargang 3, nr. 2)

KRUIDEN, MEDICIJNEN EN.....   DE REST

Het is onbetwistbaar dat vele mensen heden ten dage teruggrijpen naar al hetgeen de natuur te bieden heeft. Wol die van schapen is gewonnen, wordt gekleurd met kleurstof, getrokken uit planten en bloemen. Menig dorp beschikt opnieuw over een winkeltje waar, om allerlei kwaaltjes te overwinnen, de nodige kruiden kunnen aangekocht.

Er is een tijd geweest, en die is nog niet zo lang voorbij, dat de mens, en vooral dan de bewoners van het platteland, niets anders dan kruiden ter hunne beschikking hadden om pijn en smart te helen, of minstens toch tijdelijk te verzachten.
Samengevat, door alle tijden heen, deed de mens om te kunnen genezen, beroep op de volksgeneeskunde, gesteund op planten, remedies en volksdevotie.

Wat de gebruikte planten betreft, ging men ervan uit dat er een soort van samenhang bestond tussen de ziekte en de plant die voor genezing moest zorgen. Meteen is ook de volkse benaming voor een aantal planten te verklaren. Men spreekt o.a. nu nog van jichtkruid, koortskruid, wondklever, wondkruid, wormkruid enz...Er kan zelfs een vergelijking gemaakt worden tussen de ziekte en de geneeskundige plant. De geelzucht zou onder meer genezen kunnen worden door een aftreksel van de gele paardenbloem. Roodkleurige planten worden aangewend voor het voorkomen van bloedstollingen. De distelachtigen daarenboven zijn een remedie tegen stekende pijnen.

Het gebruik van kruiden is zeer oud, soms zeer doeltreffend en gemakkelijk. Eczeem is in het voorjaar te helen door het vocht van de berkenboom. Men dient een takje met knopjes schuin af te snijden, waarna deze tak in een vaas wordt geplaatst. Het uitgelopen sap moet met de blote hand op het eczeem uitgesmeerd worden. Berkensap, op deze manier verkregen, is blijkbaar even doeltreffend voor het verwijderen van zomersproeten.

Meer radicaler in het genezingsproces zijn en/of waren de volksmiddeltjes. Het verwijderen van wratten is er een treffend voorbeeld van. De wratten waren hinderlijk en ontsierden bovendien het aangezicht, de handen of andere lichaamsdelen. Er waren allerlei rituelen voorhanden om ze kwijt te geraken. Een eerste mogelijkheid bestond erin in een draad zoveel knopen te leggen als er wratten waren. Het draadje werd nadien nog eens op de wratten gelegd en vervolgens begraven in de aarde. Eenmaal dat het draadje was vergaan, verdwenen eveneens de hinderlijke wratten. Een andere mogelijkheid bestond erin dat de "patient", op het ogenblik dat een overledene op zijn begrafenisdag overluid werd, het met een wrat ontsierde lichaamsdeel in een molshoop stak en meteen het volgende versje (gebed?) uitsprak:

"Jan die gaat naar het graf
Doe mijn wratten ervan af,
In de aarde zal jij vergaan
en al mijn wratten zullen zijn gedaan"
 

Een venijnige streek werd begaan wanneer de houder van wratten een geldstuk deponeerde in het wijwatervat achter in de kerk. Immers hij die het geldstuk uit het wijwatervat haalde, kreeg dan de wratten toebedeeld van de muntlegger.

Een andere vervelende kwaal was de tandpijn. Iedereen die er kennis mee maakte, kon getuigen hoe pijnlijk dit kon overkomen. Het zal dan ook niemand verwonderen dat in vroegere tijden, toen er nog geen sprake was van een "dentist", honderden middeltjes werden bedacht om van tandpijn verlost te geraken. In vele gevallen werd van gemalen lijnzaad een warme pap gemaakt. Deze brij werd tussen een lap lijnwaad gelegd en dan bij middel van een handdoek om het hoofd gebonden, er zorg voor dragende dat de warme brij aan deze kant van het hoofd aangebracht werd waar de tand pijn deed. Meestal moest dit proces meerdere dagen worden volgehouden. Andere middelen waren het voortdurend spoelen met zoutwater en het spoelen met een mengsel van regenwater, aluin, honig en wijnazijn. De man waarvan men zegde dat zijn vrouw niet graag had dat hij een borrel dronk, kon meer dan eens onder de mom van tandpijn, enkele "wittekes" achter de kiezen slaan......

Wanneer bij jonge kinderen de melktanden uitvielen, kregen zij de goede raad de uitgevallen tand over hun schouder zo ver mogelijk weg te werpen onder het zeggen van:

"Tand, tand, oude tand,
geef mij voor deze oude tand,
een nieuwe tand". 

De holle kies, oorzaak van slapeloze nachten, werd gevuld met een stukje wortel van het duizendblad. Even doeltreffend was het vlies van een huislookblad. Een radicaal middel om zowel de tandpijn als de slechte kies kwijt te geraken bestond erin de zieke tand met een touwtje te verbinden met een deurknop. Vervolgens, met gesloten ogen en gespannen spieren, de deur zo hard mogelijk dichtslaan.

Vervolg:
Voorjaarsmoeheid werd degelijk ondervangen met thee, vervaardigd uit brandnetels.

Ziek worden in trein of autobus kon meestal worden verholpen door het eten van droog brood met azijn.

 Even preventief was het eten van zure augurken met droog brood.

Het fijt, vroeger een veel voorkomende kwaal, genas zeer snel indien de desbetreffende vingers in een on-gekookt ei werden gestoken, of desgevallens...in de muil van een kikker.

Een specialiste in het genezen van het fijt was de vrouw van Driek Wuyten. Ze woonde waar vroeger Jan Roosen woonde. Ze werd meestal het "fietewiefke" genoemd.

Ontstoken ogen en de weegscheet genazen zeer vlug bij het gebruik van het lopende water uit de Torbeek. Etterende wonden aan handen of voeten waren even vlug genezen bij een regelmatig bezoek aan de Warmbeek. Indien dit niet mogelijk was, dan gebeurde het genezingsproces even goed door de wonde te bedekken met een gekneusd hoef- of lelieblad. Even doeltreffend was geraspt krijt vermengen met room van de melk en hiermede de wonde bestrijken.

Terwijl al die kwaaltjes met duizend-en-één middeltjes binnenshuis werden bestreden en verzorgd, was er ook nog naar buiten toe, de volksdevotie die een rol speelde in het genezingsproces. Dit houdt echter niet in dat de godsdienst of geloof bij folklore moet gerekend worden. In alle delen van de wereld heeft de mens steeds godsdienstige gebruiken naar eigen inzicht vervormd en naargelang zijn behoeften in het dagelijkse leven gebracht. Het kruisteken is hiervan het beste voorbeeld. Vooraleer een brood werd aangesneden, maakte men meestal met het broodmes een kruis op de achterzijde van het brood. Heden ten dage ziet men voetballers of wielrenners een kruisteken maken bij de aanvang van een wedstrijd. Om allerlei ziektes en tegenslagen uit de stallingen te weren tekende de boer met kalk een kruis op zijn bedrijfsgebouwen. Talrijke kinderen worden 's avonds, nu nog, naar bed gebracht na het ontvangen van een kruisje uit de handen van vader of moeder. Het wijwatervaatje ontbrak in geen enkel huis. Bij het be-treden van iedere slaapkamer vond men naast de deur het wijwatervat gevuld met "wijwater".

Een der meest treffende voorbeelden van volksdevotie was het gebruik van gewijde palm. Wanneer de mensen op paasdag "palmden", dan hield dit in dat elk stukje eigendom voorzien werd van een stukje palm die op  paaszaterdag gewijd was. Op de vier hoeken van het perceel grond, werd een kruisje getekend en midden daarin stak het gezinshoofd een takje palmtakje. Ook nu nog kan men in de meeste gezinnen palm terugvinden. Soms bevindt zich dat aan de voordeur, soms andere plaatsen zoals achter het kruisbeeld. Schuren, stallingen en bedrijfsgebouwen werden eveneens voorzien van palmtakjes. Bij hevige onweders werden , terwijl het St.-Jansevangelie gelezen werd, alle hoeken van de woning of het bedrijf met een palmtakje, gedompeld in wijwater (met Pinksteren gewijd), bespenkeld.

Eenmaal dat de mens gekonfronteerd werd met de natuurelementen voelde hij zich onmachtig. Omdat hij zich in de meeste gevallen tegen deze ongekende machten niet kon verweren, zocht hij bescherming bij machten die hoger stonden dan hemzelf. Het aanroepen van allerlei beschermheiligen is hede ten dage nog steeds in gebruik. In vele woningen vond men het omkaderde beeld van de heilige Donatus. Deze laatste moest de eigendommen beschermen tegen donder en bliksem. In onze Lilse parochiekerk vinden wij de H. Lucia terug. Haar keel is doorstoken met een dolk, vandaar dat zij aanroepen wordt tegen keelpijn. De H. Laurentius werd levend verbrand op een gloeiende rooster. Hij wordt aanroepen tegen brandwonden. Onze bloedeigen St.-Hubertus mag zich ieder jaar rond 3 november verheugen met een blijvende belangstelling. Samen met Quirinus en Antonius vormt hij trio van veeheiligen, die bij onze landbouwers op een goed blaadje staan. 

Er werd eveneens gebruik gemaakt van allerlei gebeden. Het "krachtig gebed van Keizer Karel" is nog altijd bekend. Het gebed tegen de cholera laat uitschijnen met welke aandrang de mens beroep kon doen op alle heiligen, als hij in nood kwam. Op het randje van deze volksdevotie vinden wij ook nog allerlei methoden om pijn en kwalen over te dragen aan anderen of door anderen te laten wegnemen. Tegen de tandpijn kon men zich laten overlezen bij Driek Plessers en Helmus Craenen. Deze overlezers namen de H. Appolonia onder de arm om die helse tandpijn te doen verdwijnen. Men kon de tandpijn verkopen. In dit geval werd geld naar een bepaald klooster gebracht. in het beste geval was de betaler verlost van zijn tandpijn en in het slechtste geval hield hij er toch nog zijn tandpijn van over samen met een mooi "beeldeke" van de H. Appolonia dat was opgestuurd.

Het beste voorbeeld van dit overdragen vindt men terug bij kindren die met de hik zijn geplaagd. Zij pro-beren hun hik kwijt te spelen door een ander kind aan de pink te laten trekken, ofwel door resultaat te halen met het volgende versje:

"Ik heb de hik,
ik heb de tik
Ik geef de hik aan alleman
die de hik verdragen kan".

Het wrattenritueel, hierboven aangehaald, kan eveneens gerekend worden bij de methode van overdagen.

Wij zijn  er tenslotte van overtuigd dat er nog honderden andere middelen, planten en devoties bestaan om de verschillende kwalen te genezen, o.a. iemand die aan arthrosis lijdt in de hals, doet best gekneusde koolbladeren en een papje van rauwe aardappelen, verpakt in een linnen doek om de hals. De mens kon wat zijn genezing betreft van het ene uiterste in het andere vallen. Iemand die maagklachten had droeg liest op zijn borst een linnen zakje met daarin een levende mol. De lezers die aan reumatiek lijden, kunnen "ter hunne genezinge" gebruik maken van volgende krachtige remedies: "Een bunzig fijn hakken, koken en opeten. Vijf nagels van een doodskist zoeken op het kerkhof en deze in een linnen zakje om de hals dragen".
Tenslotte een heel eenvoudig middel, t.w. alle dagen in jas- of broekzak een wilde kastanje dragen. Bij dit alle mag zeker niet vergeten worden: "Hoe kostbaarder en indrukwekkender het middel, des te doeltreffen-der is vaak het resultaat der behandelingen".

 

Volksgebruiken (Uit "Het Liller Heem", jaargang 3, nr. 3)

DE LOTELING

"ich ben er in...ich ben er oet..."3

Wie in vroegere tijden zou denken dat hij bij het groot volk zou thuis horen, eenmazal de Plechtige Communie achter de rug, kwam meestal bedrogen uit. Wie het riskeerde op jongere leeftijd een heberg binnen te lopen, of naar een meisje te lonken werd meer dan eens op zijn "plaats gezet. Hem werd duidelijk gemaakt dat hij slechts bij de pottenpakkers en ernstige vrijers kon gerekend worden vanaf het ogenblik dat hij de "loting" achter de rug had.

De verplichte militaire dienst is heden ten dagen de gewoonste zaak van de wereld. Deze verplichting is echter niet zonder meer tot stand gekomen. Oorspronkelijk kende men louter en alleen de vrijwillige dienstneming. Het gebeurde dientengevolge meer dan eens, en vooral dan in oorlogstijd, dat het vrijwillige contingent niet volstond om de geplande krijgsverrichtingen tot een goed einde te brengen. Tegen betaling werden dan jonge mannen aangeworven, die in hoedanigheid van huurling in een huurlingenleger werden ondergebracht. Dat deze huurlingen het niet zo nauw namen met de soldateneer, hebben de inwoners van Sint-Huibrechts-Lille en omgeving meer dan eens ondervonden. Deze soldaten waren voorzeker geen keurtroepen en men zocht bijgevolg naar een methode om de inwonenden van een bepaalde streek te dwingen militaire dienst te verrichten. Men dacht de ideale oplossing te hebben gevonden in een loting waarbij door het trekken van een zeker nummer, inwoners van een landsgedeelte verplicht werden soldaat te worden. Dit gebeurde voor de eerste maal in Italië om achteraf over te waaien naar Frankrijk. In ons land was het voorheen de ambtenaar van de heerlijkheid of de baljuw, die zijn soldeniers uitkoos tussen de jonge mannen van 18 en 25 jaar.

Ingrepen van allerlei aard, en andere voorrechten maakten van de loting een misbaksel. Plaatsen waar men beschikte over een burgerwacht of een plaatselijke militie ressorteerden niet onder het loten. Erger nog, wie kon beschikken over veel geld, kon zijn opgelegde legerdienst afkopen. Al met al waren het de bewoners van het platte land en meestal onder hen de armsten die in dienst moesten. Vaandelvlucht en ongeregeldheden tussen de lotelingen, droegen er toe bij dat het loten werd afgeschaft. In volle Franse tijd, nl. in 1978, wordt het loten opnieuw ingevoerd, zij het dan in een verbeterde vorm. Deze loting, door de Franse bezetters "conscriptie" genoemd, hield in dat alle jonge mannen van een zekere leeftijd verplicht waren soldaat te worden. Het kon zijn dat iedere aangeduide jongeman soldaat moest worden, doch ook dat uit deze jongeren bij loting een zeker contingent werd aangeduid. Naast meer religieuze motieven, was dze "conscriptie" één der oorzaken van de Boerenkrijg. Het Hollands bewind, waarmee wij vanaf 1815 bedacht werden nam de "conscriptiewet" over, doch liet als verzachting toe dat de loteling zich kon laten vervangen door  een andere mits het betalen van een som van 1.600 fr.

De eerste Belgische militiewet van december 1830 reglementeerde op haar beurt de loting. De getalsterkte van het leger werd gebracht op 80.000 eenheden. Eén vierde van dit contingent moest geleverd worden door loting, de andere drie-vierden waren vrijwilligers. Een nieuwe militiewet van 1870 bepaalde de duur van de legerdienst op 4 jaar voor de elitekorpsen en 3 jaar voor de andere korpsen. Het vastgestelde contingent bleef bestaan uit vrijwilligers en lotelingen. Het vervangingsrecht bleef van kracht. Aan de loteling werd een vergoeding uitgekeerd. Leopold II schafte op 14 december 1909 de loting af. Hij opteerde voor de verplichte legerdienst van één zoon. Echter in 1913, mede onder invloed van de politieke gebeurtenissen, werd de algemene dienstplicht ingevoerd.
In vergelijking met de hedendaagse voorschriften, was er niet veel verschil met de manier waarop men vroeger onder dienst werd geroepen. In 1891 bvb werden de inwoners van Sint-Huibrechts-Lille op de laatste zondag van de maand november verwittigd bij middel van aanplakbrieven dat er van 1 tot 31 december op het gemeentehuis zich een register bevond, waar alle inwoners die 19 jaar geworden waren, als kandidaat soldaat werden ingeschreven. De vreemdelingen die zich in het dorp bevonden dienden zich tevens onder bepaalde voorwaarden te laten inschrijven. Knechten en ander personeel werden ingeschreven in het dorp of stad waar hun vader, moeder of voogd gedomilicieerd was. De burgemeester kon iemand van ambtswege in het register inschrijven, zo er getwijfeld werd aan de werkelijke ouderdom van de loteling.

Op 31 december "te 4 uren" namiddag werd het P.V. van afsluiting door de burgemeester getekend. Het register werd overgemaakt aan de bevoegde overheid. Deze registers bevatten ondermeer: namen der ouders, het beroep van de ouders en de loteling. De lichaamsgrootte was eveneens nauwkeurig vermeld. Uit de voorhanden gegevens bleek dat in die jaren (en bijgevolg over het algemeen de inwoners van toen) niet zo bijster groot waren. Zelden meet iemand 1,70 m. Meestal varieerde de lichaamsgrootte tussen 1,60 m. en 1,65 m. Meer dan eens trof men kandidaten aan die 1,510 m. of 1,552 m. groot waren. De burgemeester diende te vermelden of de ingeschrevene lezen en schrijven kon en "so hij eventueel hogere studies deed of voltooid had". Bij sommige kandidaten stond vermeld "kan meer dan lezen en schrijven" waaruit zou kunnen afgeleid worden dat "het kunnen lezen en schrijven" en de "hoger studies" toch een graad van scholing bestaan heeft in de zin van avond- en zondagsschool. Het zou bovendien verwonderlijk zijn moest men in deze lijsten niet zijn teruggevallen op de namen van Lilse Teuten. Omdat in het register moest genoteerd worden waar men geboren was en waar men verbleef, konden volgende gegevens worden teruggevonden: "Lichting 1829. Ingeschreven werd Hoeben Louis Grgorius Hendrik, geboren te Mölln-koninkrijk Denemarken op 26 maart 1810". Hij is de zoon van Waltherus Hoeben (burgemeester van Sint-Huibrechts-Lille) en dezes echtgenote Sofia Margaretha Frederika Burmester, deze laatste afkomstig uit Denemarken. Een tweede, uit dit huwelijk geboren zoon, Hendrik Hoeben, geboren te Sint-Huibrechts-Lille op 26 mei 1811, woont "in Ulsen, koninkrijk Hannover". Hij is 1,60 m. groot, van beroep molenaar en wordt door zijn vader ingeschreven in de "ligting van 1830". Christiaan Hoeben, een derde zoon van genoemde burgemeester wordt in de "ligting" van 1837 vermeld als wonende eveneens te Ulsen.

Tussen januari en maart van ieder jaar werden de ingeschreven kandidaten uitgenodigd om te verschijnen in de hoofdplaats van het militiekanton. Voor de ingeschrevenen van Sint-Huibrechts-Lille betrof dit het 14de militiekanton te Overpelt. In Overpelt werd derhalve geloot. Wat de nummers betreft die te trekken waren, werd vooraf rekening gehouden met de verleende vrijstellingen of uitstellen gedurende het vorige jaar. Zouden er het vorig jaar vb. 20 vrijstellingen en/of uitstellen verleend zijn dan was het laagste nummer dat kon toegewezen worden, het nr. 21.

Gewoonlijk werd het contingent soldaten bepaald op 1/3 of 1/4 deel van de ingeschreven. De officiële verdelingslijst werd opgemaakt door de diensten van de Provincie. De politiecommisaris, in het bijzijn van een afgevaardigde van het leger, de Vrederechter ezn de Burgemeester, maakten dan de lage nummers bekend. De trekker van zulk lot werd genoteerd als toekomstig soldaat. Uit een trommel die duchtig werd rondgedraaid, nam de kandidaat een "co(a)sette" waarin zijn lotnummer was geborgen. Trok hij een nummer, hoger dan een der loten bepaald door de politiecommisaris, dan wist hij dat zijn gebeden of toverkunsten baat hadden gebracht. Hij was immers vrij van dienst. Viel hem echter een nummer te beurt, gelijk aan een der loten bekend gemaakt door de militiecommisaris, dan was zonder meer goed voor de dienst. En van de eerste emotie bekomen, zal hij zich voorzeker hebben afgevraagd waarom juist bij hem, hetzij al de gebeden van hem zelf en zijn huisgenoten, of desgevallend, de helpende hand van de voorkomende charletans (kwakzalvers) hem niet geholpen hadden. Hem bleef nog maar alleen over, vrijstelling of uitstel te vragen, zo er een grond toe was, of in het allerbeste geval uit te zien naar een remplaçant inzoverre dit nog mogelijk was en hij het betalen kom.

Wordt vervolgd.